Organiek Reglement
Ingezonden door Daan Pareit op di, 15/12/2009 - 23:59
Embedded Scribd iPaper - Requires Javascript and Flash Player
Provincie West-Vlaanderen - Arrondissement Roeselare - Gemeente Lichtervelde Uittreksel uit de notulen van de Gemeenteraad
Zitting : 25 JUNI 2007 & 26 januari 2009 Vrijwillige Brandweer - hervaststelling Organiek Reglement DE GEMEENTERAAD :
Gelet op de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, inzonderheid artikel 13 ; Gelet op het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand, inzonderheid artikel 2 en 15; Gelet op het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten, met als bijlage 3 het modelreglement voor de organisatie van een gemeentelijke vrijwilligers brandweerdienst, laatst gewijzigd bij KB van 3 juni 1999; Gelet op de omzendbrief van 4 oktober 1971 van de heer Gouverneur van West- Vlaanderen, waarbij mededeling gedaan wordt van de Ministeriële omzendbrief van 16 september 1971 in verband met laatstgenoemd koninklijk besluit ; Gelet op de wet van 24 december 1976 en het KB van 9 augustus 1979 tot regeling van de wijze van vaststelling en het verhaal van kosten van sommige interventies en prestaties van de gemeentelijke brandweer; Gelet op het KB van 14 oktober 1991 in verband met inzet van personeelsleden in interventies met gevaarlijke stoffen; Gelet op het KB van 7 augustus 1995 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen; Gelet op het KB van 19 april 1999 tot vaststelling van de geschiktheids- en bekwaamheidscriteria alsmede van benoembaarheids- en bevorderingsvoorwaarden van de officieren van de openbare brandweer; Gelet op het protocol nr. 99/04 van 18 mei 1999 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten; Gelet op het KB van 3 juni 1999 in verband met de verzekeringspolis van de leden van het vrijwillig brandweerkorps, de leden van de dienst “100”, de opgevorderde personen en de kandidaat vrijwillige brandweerlieden die deelnemen aan de wervingsproeven; Gelet op het KB van 7 april 2003 in verband met de nieuwe verdeling van de opdrachten inzake civiele bescherming tussen de openbare brandweerdiensten en de diensten van de civiele bescherming; Gelet op het KB van 8 april 2003 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten; Gelet op de Ministeriële omzendbrief van 7 mei 2004 betreffende de aanvragen tot vrijstelling van cursussen en examen in het kader van de opleiding van de leden van de brandweerdiensten en de aanvragen tot gelijkstellig van brevet van de leden van de brandweerdiensten; Gelet op het overleg met de officieren; Gelet op het besluit van de Gemeenteraad dd. 27 december 2005 houdende goedkeuring van dit reglement; Gelet op het schrijven van de Gouverneur dd. 9 maart 2006 waarbij het organiek reglement werd goed gekeurd.; …/…
Gelet op artikel 42 van het gemeentedecreet; Gelet op het voorstel van het College van Burgemeester en Schepenen; BESLUIT : eenparig
Enig artikel : Het Organiek Reglement van de gemeentelijke vrijwillige brandweerdienst wordt hervastgesteld als volgt : Grondreglement Vrijwillige Brandweer Lichtervelde HOOFDSTUK 1 - ORGANISATIE, TAAK EN SAMENSTELLING VAN DE BRANDWEERDIENST. Art.1. De brandweerdienst is autonoom. Hij is een vrijwilligerdienst. Art.2. Onverminderd de bevoegdheden van de burgemeester, wordt de dienst geleid door de officier-dienstchef. Deze draagt, in het raam van dit Organiek Reglement, van het Huishoudelijk Reglement en van de onderrichtingen die hem door de burgemeester worden verstrekt, de verantwoordelijkheid voor de organisatie, de goede werking en de tucht van de dienst. Bij afwezigheid van de dienstchef worden diens bevoegdheden door de aanwezige officier of, bij dezes ontstentenis, door de aanwezige onderofficier met de hoogste graad uitgeoefend. Bij gelijkheid in graad wordt het bevel gevoerd door de officier of, bij dezes ontstentenis, door de onderofficier met de meeste graadanciënniteit. Art.3. De brandweerdienst is belast met de taken die hem opgedragen zijn krachtens de wetten en reglementen inzake brandweerbestrijding en brandvoorkoming. De leden van de brandweerdienst mogen als zodanig niet ingezet worden voor andere taken dan die welke voor die dienst vastgesteld zijn. In meer wordt de brandweerdienst gelast met: 1/ de brandweeropdrachten vermeld in het koninklijk besluit van 07 april 2003 tot verdeling van de opdrachten inzake civiele bescherming tussen de openbare brandweerdiensten en de diensten van de civiele bescherming. 2/ de hulpverleningstaken krachtens bijzondere wettelijke reglementen, zoals vervat in: - de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening. - het koninklijk besluit van 28.2.1963 houdende het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van ioniserende stralingen. - het algemeen reglement voor arbeidsbescherming. - de wet van 31 december 1963 op de Civiele Bescherming en de taken in uitvoering daarvan omschreven in het KB. van 23 juni 1971. - de prestaties die eventueel het voorwerp uitmaken van een door de Provinciegouverneur goedgekeurde overeenkomst(en) met (een) ander(e) brandweerdienst(en) van de gewestelijke brandweergroep. - de interventies voor hulpverlening bepaald in het koninklijk besluit van 8.11.1967 Art.4. De dienst wordt derwijze georganiseerd dat voldoende manschappen (personeel en kaders) te allen tijde klaar staan om binnen de kortst mogelijke tijd op te treden. Art.5. De ledenvrijwilligers van de dienst kunnen door de officier-dienstchef of zijn plaatsvervanger opgeroepen worden in de volgende gevallen: 1° voor hun theoretische en praktische opleiding, voor de oefeningen, waarvan het minimum aantal op twaalf per jaar wordt vastgesteld, en voor inspecties; 2° voor elke interventie of taak die tot de opdrachten van de brandweerdienst behoort. Zij kunnen eveneens voor dienstnoodwendigheden door de burgemeester worden opgeroepen. Art.6. De brandweerdienst omvat het volgende personeel: (rekening houdend met de minima voorzien bij bijlage 1 van het koninklijk besluit van 08 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand. B.S. 19.06.1971) …/…
Categorieën
Graden
Aantalbetrekkingen
Aantal betrekkingen
Effectief in dienst
Effectief in
beroeps Operationeel personeel Officier diensthoofd Officieren Onderofficieren Sergeant-majoor Eerste sergeant Sergeant Korporaals brandweermanne n-ambulanciers Totaal I Personeel belast met bijzondere taken Officier geneesheer (deeltijds) Totaal II Algemeen totaal
vrijwilligers
beroeps
dienst vrijwilligers 1 2 1 1 1 2 4 23 35
Luitenant Luitenant Onderluitenant
1 2 1 1 1 2 4 25 37
Onderluitenant of luitenant
1
1
38
36
Maximum effectief: 38 Minimum effectief: 33 HOOFDSTUK 2 - PERSONEEL Art.7. Het beroepspersoneel heeft de hoedanigheid van gemeentepersoneel. Het vrijwilligers personeel heeft die hoedanigheid niet. Tijdens de duur van de prestaties bij de brandweerdienst valt het onder het stelsel bepaald door dit reglement en door de dienstnemingsakte. Art.8. werd opgeheven door het koninklijk besluit van 14 oktober 1991, art. 3 (B.S. 11.12.1991) 1. ANDERE PERSONEELSLEDEN DAN DE OFFICIEREN. Sectie I - Aanwervingen A. Bepalingen voor het beroepspersoneel. Art.9. Elke benoeming in vast verband wordt voorafgegaan door een stage, die georganiseerd wordt overeenkomstig de artikelen 12 tot 15. De aanwerving geschiedt in de graad van brandweerman. Wanneer echter de dienst slechts de beroepskorporaal, bedoeld in de bijlage 1 van het koninklijk besluit van 8 november 1967 behelst, mag de aanwerving in de graad van korporaal geschieden. B. Bepalingen voor het vrijwilligerspersoneel. Art.10. Elke effectieve indienstneming wordt voorafgegaan door een stage, die georganiseerd wordt overeenkomstig de artikelen 12 tot 15. Behoudens andersluidende bepalingen betreffende uitsluitend bijzondere ambten, geschiedt de aanwerving in de graad van brandweerman. De aanwervingvereisten voor de graad van brandweerman zijn de volgende : 1. De nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezitten. 2. De gemeenteraad kan bij elke benoeming eisen dat de betrokkenen hun hoofdverblijfplaats in een geografische zone hebben, eventueel binnen een bepaalde termijn. De gemeenteraad motiveert zijn beslissing in de benoemingsakte of in de aanwervingsovereenkomst. Een personeelslid dat de voorwaarde van verblijfplaats niet naleeft, maar de kazerne binnen een zeer korte termijn na de oproep kan bereiken, kan een afwijking van de voorwaarde van verblijfplaats vragen. 3. Ten minste 18 jaar oud zijn bij de eerste dienstneming in een brandweerdienst.
4. Ten minste 1,55 m groot zijn (gemeten zonder schoeisel). …/…
5. In het bezit zijn van een recent (maximum 2 maanden oud) bewijs van goed zedelijk gedrag en een uittreksel uit het strafregister bezorgen. 6. Voor de mannelijke kandidaten, in orde zijn met de dienstplichtwetten 7. Lichamelijk geschikt bevonden zijn ingevolge een geneeskundig onderzoek, verricht door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer tijdens werving en selectie krachtens het koninklijk besluit gezondheidstoezicht (zie artikel 14 koninklijk besluit) en de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken. Het geneeskundig onderzoek omvat: - een algemeen somatisch onderzoek (algemeen uitzicht, littekens,..); - een onderzoek van het voortbewegingsstelsel (skelet, gewrichten, spieren); - een onderzoek van de hartvaten (hart, pols, bloeddruk, aderspat); - een onderzoek van het ademhalingsstelsel (neus, keel, luchtpijp, longen); - een onderzoek van het abdomen (buik, organen, breuken); - een neurologisch onderzoek (Rompberg, pupilreflexen, peesreflexen, cremasterreflexen, tremor); - een onderzoek van het psychisme (algemeen gedrag, emotiviteit); - een onderzoek van de endocriene organen (schildklier); - een urineonderzoek (eiwit, suiker); - een onderzoek van de gezichtsscherpte (met en zonder bril) - een onderzoek van het gehoor In meer moeten de kandidaten: - geen enkel gebrek hebben, dat onverenigbaar is met de dienstvereisten - een sterke lichaamsgesteldheid hebben, die hun toelaat vermoeiende en ononderbroken fysische inspanningen te leveren, de weersgesteldheden te trotseren, op elk soort van terreinen te gaan en te lopen, te kruipen, te klimmen, te springen, te zwemmen, zware lasten te dragen (gewicht van een persoon zegge ongeveer 70 kg) - niet onderhevig zijn aan duizeligheid - in de hoogste mate aan rook kunnen weerstaan - een gezichtsscherpte hebben, zo nodig met brillenglazen, van 13/10 voor beide ogen samen, met een minimum van 3/10 voor het minst goede oog. De gezichtsscherpte zonder bril mag echter niet minder bedragen dan 5/10 voor beide ogen samen - voor elk oor een gehoorscherpte hebben die hun toelaat, zonder het dragen van een hoorapparaat, de normale conversatiestem te horen op 2,5m afstand, de rug naar de onderzoekende geneesheer gekeerd - geen gebrek hebben waardoor hun prestige ernstig in het gedrang kan komen bij het uitoefenen van hun functie. 8. De kandidaten moeten slagen in de proeven inzake lichamelijke geschiktheid. Op die proeven staan geen punten. De kandidaten moeten slagen in 8 van de 10 proeven. Het niet slagen in de proef C en E is eliminerend. De proeven inzake lichamelijke geschiktheid zijn: A. Voorligsteun het lichaam, dat op de handen en op de voeten steunt, vormt een rechte lijn van de schouders tot de hielen terwijl de armen loodrecht op de grond staan. Tijdens de oefening moet de borst de grond lichtjes raken. Armen buigen/strekken 10 maal B. Buiging van de armen In hang aan de boom of de brug, de handen in supinatie, d.w.z. de palm naar binnen. Het toestel wordt op zulkdanige hoogte geplaatst dat de voeten de grond niet raken. Voor de goede uitvoering is vereist dat de kin boven de brug uitkomt.
4 maal …/…
C. Evenwicht twee pogingen worden aan de kandidaat toegestaan. Op een boom van 7 tot 10 cm breed, 3.5 m lang, geplaatst op een hoogte van 1.2 m. Vrije manier van op- en afstijgen; de proef wordt gechronometreerd bij het geven van het signaal wanneer de kandidaat zich in evenwicht op de boom gesteld heeft. De chronometer wordt stilgelegd bij het einde van het parcours, voor de kandidaat van het toestel afstijgt, de voet voorwaarts gestrekt op het uiteinde van de boom. in 8'' D. 4 m touw klimmen twee pogingen, met een tussenpoos van 15' worden aan de kandidaat toegestaan. Het startsein wordt aan de kandidaat gegeven wanneer deze bij het touw staat, de armen langs het lichaam. in 15'' E. Beklimmen van de ladder van 10 m twee pogingen, met een tussenpoos van 15' worden aan de kandidaat toegestaan. De start gebeurt vanaf de voet van de ladder. De kandidaat houdt de armen langs het lichaam en raakt de ladder niet aan. De ladder staat tegen een muur en heeft een helling van 70 graden. in 20 '' F. Dragen over 50 meter twee pogingen, met een tussenpoos van 30', worden aan de kandidaat toegestaan. De proef bestaat in het dragen van een persoon van hetzelfde gewicht, op 5 kg na, als de drager. Hulpgreep bij een arm en een been. Het startsein wordt aan de kandidaat gegeven wanneer hij de last heeft opgenomen. in 30'' G. lengtesprong, zonder aanloop twee pogingen, met een tussenpoos van 5', worden aan de kandidaat toegestaan. Start: voeten gesloten achter de lijn. De afstand wordt bepaald door het dichtst bij de startlijn achtergelaten spoor, ongeacht met welk lichaamsdeel de grond werd geraakt. 2m H. Dieptesprong de kandidaat start vanuit de strekstand en mag geen tussensteun hebben. Het neerkomen gebeurt op een tapijt. 2m I. 600 m lopen in 2'45'' J. 100 meter zwemmen met de slag naar keuze zonder de voet aan de grond te zetten. 9. Het college van burgemeester en schepenen kan een examencommissie aanstellen ter evaluatie van de kandidaten. De samenstelling van de examencommissie wordt toevertrouwd aan het college van burgemeester en schepenen. 10. Gedurende de stageperiode moet de kandidaat het getuigschrift "stagiairbrandweerman", afgegeven door een erkend provinciaal centrum voor de opleiding van de brandweerdiensten behalen. 11. De kandidaten moeten na het behalen van het getuigschrift "stagiairbrandweerman", de eerst ingerichte cursus ambulancier dienst 100 volgen voor het bekomen van een geldig persoonlijk kenteken voor dringende geneeskundige hulpverlening, goedgekeurd en afgeleverd door het bevoegde F.OD. Volksgezondheid en Gezin. Onder de kandidaten die de gestelde voorwaarden vervullen wordt voorrang verleend aan de houders van brevetten uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer. In bijkomende orde wordt voorrang verleend aan de houders van rijbrevetten C (waarmee de houder voertuigen van meer dan 7,5 MTM mag besturen zoals ladderwagen, tankwagen, …). Het geneeskundig onderzoek en de proeven inzake lichamelijke geschiktheid zijn eliminerend en gaan elke andere selectieproef vooraf.
Art.11. De ledenvrijwilligers ondertekenen, voor hun indiensttreding als stagiair, een dienstnemingcontract voor de duur van de stage. Zij kunnen hun dienstneming te allen tijde …/…
verbreken met een maand opzegging. Het dienstnemingscontract dat de ledenvrijwilligers als stagiair tegen tekenen, vermeldt: 1. naam, voorna(a)m(en), geboorteplaats en geboortedatum, evenals de woonplaats; 2. de dag met ingang waarvan de vrijwilliger in dienst is genomen; 3. de graad en de vergoeding welke de vrijwilliger wordt toegekend; 4. de ontvangstmelding van een uittreksel uit de polis arbeidsongevallen; de ontvangstmelding van een uittreksel uit de polis overlijdensverzekering; 5. de verklaring van kennisname van en onderwerping aan het organiek reglement en het reglement van orde; Sectie 2 - Stage en opleiding. Art.12. Niemand wordt tot de stage toegelaten tenzij hij aan de aanwervingvereisten voldoet. De duur van de stage bedraagt één jaar. De stagiairs dienen de opleiding te volgen die te hunnen behoeve gegeven wordt in de provinciale centra voor de opleiding van de brandweerdiensten, waar hun het brevet van kandidaat-brandweerman wordt uitgereikt Art.13. De dienstchef en de leider van de operaties waken ervoor dat de stagiairs slechts aan de operaties deelnemen in de mate dat hun theoretische en praktische vorming dat toelaat. Art.14. De stagecommissie, samengesteld uit de dienstchef, officieren en onderofficieren, maakt aan het einde van de stage, ten behoeve van de benoemende of indienstnemende overheid, een verslag op over ieder stagiair. Zij stelt voor: - hetzij de effectieve indienstneming voor een stagiairvrijwilliger; - hetzij de verlenging van de stagetermijn voor een duur van ten hoogste tweemaal zes maanden; - hetzij de afdanking. Dit laatste kan eveneens tijdens de stage, en eventueel tijdens de verlengde stage, volgens dezelfde procedure worden voorgesteld wanneer de wijze van dienen van de stagiair te wensen overlaat. Art.15. Het in artikel 14 bedoelde verslag wordt aan de belanghebbende schriftelijk medegedeeld en door hem meeondertekend. Deze beschikt over een termijn van acht dagen, te rekenen vanaf de kennisneming, om bezwaar in te dienen bij de benoemende of indienstnemende overheid. Sectie 3 - Benoeming, indienstneming en loopbaan. Art.16 . Op grond van het einde-stageverslag kan de stagiair effectief in dienst worden genomen als vrijwilliger. Het dienstnemingcontract dat de vrijwilliger tegen tekent bij zijn effectieve indienstneming, voor de duur van vijf jaar, bevat dezelfde vermeldingen als het dienstnemingcontract bedoeld in artikel 11. Deze dienstneming is hernieuwbaar. Voor de officieren van de openbare brandweer moet volgens artikel 37 van het KB van 19 april 1999 bij hun definitieve indiensttreding een contract van onbepaalde duur worden opgesteld. Dit geldt tevens voor de officieren bekleed met een hogere graad. Art.17. Wanneer een bij bevordering te begeven betrekking openvalt wordt het personeel van de dienst daarvan door middel van een dienstnota in kennis gesteld. In die nota worden opgegeven de te vervullen voorwaarden, de eventueel opgelegde proeven en de stof ervan, evenals de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen. Art.18. Elke kandidatuur moet rechtstreeks en schriftelijk aan de burgemeester worden gericht.
Art.19. De vereisten voor toegang tot de bevorderingsgraden zijn de volgende: Rekening houdend met het KB van 8 april 2003 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten; …/…
a) wordt bevorderd tot korporaal, de brandweerman met minstens vijf jaar goede dienst, houder van een brevet van korporaal of een ermee gelijkgesteld brevet, uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer. Voorrang wordt verleend aan het hoogste brevet, en bij gelijkheid aan degene met meest dienstjaren in het korps en bij gelijkheid aan de oudste in leeftijd. Uit een omstandige nota door de dienstchef opgemaakt en meeondertekend door de officieren moet blijken dat de kandidaat de drie voorafgaande jaren: 1. tenminste twee derde der verplichte vergaderingen en oefeningen bijwoonde. 2. tenminste de helft der algemene branden heeft meegemaakt. Onder de algemene branden worden deze verstaan, waartoe al de manschappen opgeroepen worden. De houders van een brevet dienen tevens aan deze bijgevoegde voorwaarden te voldoen. b) Wordt bevorderd tot sergeant, de korporaal met minstens drie jaar goede dienst als korporaal, houder van een brevet van sergeant of een ermee gelijkgesteld brevet, uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer. Voorrang dient verleend aan het hoogste brevet, en bij gelijkheid aan degene met meest graadanciënniteit binnen het korps, en bij gelijkheid aan degene met de meeste dienstjaren binnen het korps en bij gelijkheid aan de oudste in leeftijd. Tevens zal rekening gehouden worden met de elementen, zoals bepaald voor de bevordering tot korporaal onder punt a. Bij ontstentenis van korporaal-brevethouders met voldoende aantal dienstjaren vervalt de bepaling inzake het aantal dienstjaren. c) wordt bevorderd tot eerste-sergeant, de sergeant met het brevet hoogst in waarde, uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer, voor zover hij door de dienstchef als geschikt wordt voorgesteld, en bij gelijkheid aan degene met meest graadanciënniteit binnen het korps, en bij gelijkheid aan degene met meest dienstjaren binnen het korps en bij gelijkheid aan de oudste in leeftijd. Tevens zal rekening gehouden worden met de elementen, zoals bepaald voor de bevordering tot korporaal onder punt a en sergeant onder punt b. d) wordt bevorderd tot sergeant- majoor, de eerste-sergeant met het brevet hoogst in waarde, uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer, voor zover hij door de dienstchef als geschikt wordt voorgesteld, en bij gelijkheid aan degene met meest graadanciënniteit binnen het korps, en bij gelijkheid aan degene met de meeste dienstjaren binnen het korps en bij gelijkheid aan de oudste in leeftijd. Tevens zal rekening gehouden worden met de elementen, zoals bepaald voor de bevordering tot korporaal onder punt a en sergeant onder punt b. e) wordt bevorderd tot adjudant, de sergeant met minstens drie jaar goede dienst als sergeant, houder van een brevet van adjudant of een ermee gelijkgesteld brevet, uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer. Voorrang dient verleend aan het hoogste brevet, en bij gelijkheid aan degene met meest graadanciënniteit binnen het korps, en bij gelijkheid aan degene met de meeste dienstjaren binnen het korps en bij gelijkheid aan de oudste in leeftijd. Tevens zal rekening gehouden worden met de elementen, zoals bepaald voor de bevordering tot korporaal onder punt a en sergeant onder punt b. Art.20. De benoeming, de indienstneming of de bevordering wordt door de burgemeester of zijn gemachtigde rechtstreeks aan de belangstellende medegedeeld en ter kennis van de andere leden van de dienst gebracht. II. Alle personeelsleden
Sectie 1 - Beëindiging van het ambt A. Bepalingen voor het beroepspersoneel. Art.21. Het ambt van de beroepsleden van de brandweerdienst eindigt definitief door vrijwillig ontslag, ontslag van ambtswege of afzetting. Ter zake van vrijwillig ontslag geldt dezelfde regeling als voor de andere gemeenteambtenaren. Wanneer de betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 9, dan wordt door de benoemende overheid het ontslag van ambtswege uitgesproken Afzetting wordt uitgesproken door de gemeenteraad. Zij behoeft goedkeuring van de provinciegouverneur voor de officieren en van de bestendige deputatie voor de andere leden van de dienst. Het ambt van de beroepsleden van de dienst eindigt eveneens wanneer de betrokkene definitief ongeschikt is tot het vervullen van zijn ambt, als bepaald in artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel en in het koninklijk besluit van 20 februari 1963 houdende schorsing en beperking van de uitwerking van zekere regelen welke artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel inhoudt. B. Bepalingen voor het vrijwilligerspersoneel. Art.22. Aan ieder lid, vrijwilliger van de dienst, dat eervol uit zijn ambt wordt ontslagen onder de voorwaarden gesteld in de artikels 23 en 24, kan de eretitel van zijn graad worden verleend. Art.23. Het ambt van de ledenvrijwilligers van de dienst eindigt: …/…
1. bij het verstrijken van de duur van de dienstneming of van de wederdienstneming; 2. bij het bereiken van de leeftijdsgrens: eervol ontslag wordt verleend aan de betrokkene bij het verstrijken van de maand waarin hij de leeftijd van zestig jaar bereikt; 3. door vrijwillig ontslag: ontslag kan door de betrokkene te allen tijde, met opzegging van drie maanden worden gegeven; 4. Door ontslag van ambtswege: dit ontslag vindt plaats op initiatief van de indienstnemende overheid, wanneer de betrokkene de in artikel 10 gestelde voorwaarden niet langer vervult 5. door afdanking: wordt door de gemeenteraad uitgesproken ten aanzien van ieder lid: - a. wegens kennelijk wangedrag; - b. wegens miskenning van de tucht; - c. in het geval genoemd in artikel 33. Art.24. Eervol ontslag kan worden verleend aan ieder lidvrijwilliger van de dienst - die tenminste dertig jaar dienst telt; - die na tenminste tien jaar dienst, van ambtswege werd ontslagen ingevolge een hem in de dienst of naar aanleiding ervan overkomen ongeval Sectie 2 - Plichten A. Plichten die gelden voor alle leden. Art.25. De gemeenteraad bepaalt, bij een Huishoudelijk Reglement, de dienstbetrekkingen, de plichten van de leden en op algemene wijze de maatregelen betreffende de werking van de dienst en de uitvoering van de bepalingen van dit reglement. Art.26. Het is de leden van de dienst verboden naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt, onder eender welk voorwendsel, individueel en voor zich persoonlijk gratificatiën of beloningen te vragen of te ontvangen.
Art.27. De leden van de dienst zijn ertoe gehouden, ongeacht hun kwalificatie, deel te nemen aan de hulpoperaties waarvoor hun tussenkomst gevorderd wordt. B. Bijzondere plichten van sommige leden. Art.28. Betreffende de beroepskorporaal: niet van toepassing. Art.29. De officiergeneesheer moet: 1. instaan voor de opleiding van de leden van de brandweerdienst inzake eerste zorgen en reanimatie en periodiek herscholingscursussen organiseren; 2. de personeelsleden, die in dienst gekwetst worden, te verplegen, zelfs op de plaats van het ongeval; 3. de personeelsleden informeren omtrent de mogelijkheid zich lastens de in dienst nemende overheid preventief te laten inenten tegen het hepatitis A en B virus. 4. de medische dossiers van aanwerving en de protocols en outprints van de semi-automatische defibrillator bijhouden 5. het geneeskundig materieel (dienst 100) periodisch nazien. 6. Indien daartoe opgeroepen, zich onmiddellijk naar de plaats van interventie begeven om deel te nemen aan de redding van personen (o.a. geklemde personen) of ten preventieve titel. …/…
C. Plichten in geval van interventies Art.30. Bij ernstige branden kunnen de niet van dienst zijnde personeelsleden, op bevel van de dienstchef die er onmiddellijk de burgemeester van verwittigt, ertoe gehouden zijn zich onverwijld naar het kazernement te begeven. Art.31. De dienstchef treft alle dienstige voorzieningen in overeenstemming met het Huishoudelijk Reglement, opdat alle voertuigen en toestellen welke voor een belangrijke interventie vereist zijn, gelijktijdig zouden kunnen worden ingezet. Art.32. Wanneer, tijdens een brand in de gemeente voor het blussen of het beschermen van mensenlevens het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk vereist is moet de leider van de operaties de bevelen van de burgemeester niet afwachten. Sectie 3 - Onverenigbaarheden Art.33 . Onverminderd de gevallen van onverenigbaarheid genoemd in de nieuwe gemeentewet of in gemeentelijke reglementen, is er onverenigbaarheid tussen: - het ambt van beroepslid van een brandweerdienst en het ambt van lidvrijwilliger van dezelfde brandweerdienst. - het ambt van lid van een brandweerdienst en het ambt van lid van een politiedienst die deel uitmaakt van een openbare macht, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. De overheid bekleed met de bevoegdheid tot benoeming of aanstelling, kan een lid van een brandweerdienst, dat tezelfdertijd lid is van de gemeentepolitie, toestaan de functie van brandweerman te blijven uitoefenen. Deze afwijking wordt verleend aan het lid van een brandweerdienst in dienst voor 1 april 1999 en voor zover dit nodig is om de continuïteit van de betrokken brandweerdienst te verzekeren. Bovendien is het ieder lid van de dienst verboden werkzaam te zijn of belangen te hebben, zelfs door tussenpersoon: a) in ondernemingen die materieel vervaardigen, vervoeren of verkopen voor brandbescherming, -voorkoming of bestrijding. b) in ondernemingen die brandvoorkomingsmaatregelen bestuderen, toepassen of controleren.
Zodra de gemeenteraad de miskenning van een der bovenstaande onverenigbaarheden of verbodsbepalingen constateert, stelt hij de betrokkene in mora daaraan binnen zes maanden een einde te maken. Ieder lid dat na verloop van die termijn geen gevolg aan de aanmaning van de gemeenteraad heeft gegeven, wordt afgezet of afgedankt. Sectie 4 - Hiërarchie en tuchtregeling A. Bepalingen die gelden voor alle personeelsleden. Art.34. Zelfs buiten de prestatie-uren, blijft ieder lid van de dienst, dat het reglementaire tenue draagt, onderworpen aan de hiërarchie, zoals deze is vastgesteld in artikel 6 en moet het de hem krachtens de reglementaire bepalingen ter zake opgelegde verplichtingen nakomen. Art.35 . De aard, de reden en de datum van elke opgelegde tuchtstraf worden vermeld in het persoonlijk dossier van de betrokkene. B. Bepalingen die gelden voor het vrijwilligerspersoneel …/…
Art.36. Ten aanzien van de ledenvrijwilligers van de dienst kunnen de volgende tuchtstraffen worden uitgesproken: 1. de terechtwijzing; 2. de berisping; 3. de schorsing voor de duur van maximum één maand; 4. de afdanking; Art.37. Wat de officieren betreft: 1. worden de terechtwijzing en de berisping uitgesproken door de burgemeester; 2. worden de schorsing en de afdanking door de gemeenteraad, op voorstel van de burgemeester, uitgesproken. De desbetreffende raadsbeslissingen zijn aan de goedkeuring van de provinciegouverneur onderworpen. Art.38. Voor de andere leden dan de officieren: a) worden de terechtwijzing en de berisping uitgesproken door de officier-dienstchef; b) worden de schorsing en de afdanking door de gemeenteraad, op voorstel van de burgemeester, uitgesproken. Art.39. Geen enkele straf kan aan de bevoegde overheid worden voorgesteld zonder dat de betrokkene vooraf gehoord of ondervraagd werd. Art.40. De schorsing heeft inhouding van elke bezoldiging en beroving van de rechten op bevordering voor de duur van de straf tot gevolg. Sectie 5 - Vergoeding van het vrijwilligerspersoneel (GR van 26/01/2009) Art.41. De vergoedingen van de prestaties van de vrijwilligers worden volgens het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten, gewijzigd door het koninklijk besluit van 3 juni 1999 berekend naar rato van de uren prestaties op basis van minstens het gemiddelde van de wedden bepaald bij de weddenschaal van de overeenstemmende graad van het beroepspersoneel:
-stagiair PB1 -brandweerman PB2 -korporaal PB2bis -sergeant PB3 -eerste sergeant PB4 -sergeant-majoor PB5 -adjudant PB5speciaal -olt houder diploma 2 A1 -olt houder diploma 1 A6 -lt houder diploma 2 PBA2 -lt houder diploma 1 A7 -Officier-geneesheer A6 -lt-dienstchef (PBA2 + PBA3)/2 Het minimumuurloon wordt vastgesteld op 1/1976e van deze jaarlijkse brutobezoldiging. De reiskosten voor het vervullen van door de dienstchef behoorlijk gelaste bijzondere opdrachten, zijn vastgelegd als volgt: zie art.41/8 1. De vergoedingen zijn gekoppeld aan de schommelingen van de gezondheidsindex. De toepassing van een verhoging als gevolg van een stijging van het indexcijfer geschiedt onder dezelfde voorwaarden als voor de bezoldiging van het gemeentepersoneel. 2. De vergoedingen worden uitbetaald per kwartaal. 3. De vergoeding voor een interventie is tenminste gelijk aan de vergoeding voor twee prestatie-uren volgens de graad. De vergoeding voor een interventie met de ambulancewagen 100 wordt vergoed volgens het uurloon van een brandweerman. Voor iedere interventie bij nacht tussen 22.00 uur en 6.00 uur wordt de vergoeding verhoogd met 50%. Voor de interventies 's zondags of wettelijke feestdagen zowel bij dag als bij nacht tussen 0.00 uur en 24.00 uur bedraagt deze verhoging 100 %. 4. Voor iedere verplichte brandweeroefening, brandweertheorie of brandweerles wordt een vergoeding toegekend van 100% volgens de graad. 5. Het wekelijks onderhoudswerk en het uittesten van het materieel door de aangewezen ploeg met weekdienst wordt vergoed met een maximum van 1/2 uur/man/week. 6. De vergoeding van een kleine niet dringende interventie zoals wespen verdelgen e.a. wordt vergoed volgens de gepresteerde uren. Voor het geven van water zijn de vergoedingen beperkt tot een vastgesteld maximum uren volgens het aantal liters. 7. In verband met het vergoeden van sommige prestaties zoals vergaderingen en besprekingen, de verantwoordelijkheid en niet te vergoeden kosten eigen aan de functie wordt een fictief maximumcontingent van wekelijkse prestatie-uren bepaald, dat door de burgemeester, op voorstel van de dienstchef, wordt verdeeld tussen de dienstchef, de korpsarts, de officieren en de secretaris, die de prestaties werkelijk verrichten. Dit wekelijks fictief contingent bedraagt 14 uren volgens de graad en de dienst waarbinnen ze werkzaam zijn. 8. De ledenvrijwilligers van de dienst kunnen tot dekking van de kosten voor reizen, waartoe zij voor het uitvoeren van speciale taken mochten gehouden zijn, vergoed worden op gelijkaardige grondslagen als voor het gemeentepersoneel gelden. 9. De personeelsleden die belast zijn met een wachtdienst voor de ambulance en de brandoproep hebben recht op een wachtvergoeding. Deze wachtvergoeding bedraagt: - voor de nachtdienst: 3 man aan 1 uur per nacht - voor de zaterdag: 3 man aan 1 uur per dag (de dag kan gesplitst worden in 2 x 1/2 uur) Het uurloon is het daguurloon van een brandweerman. - De verantwoordelijke ambulancier (hoofdambulancier) of de andere vaste ambulancier ontvangt voor de perioden dat hij van dienst is een wachtvergoeding, uitgezonderd: - tijdens de gewone werkdag wanneer de dienst verzekerd wordt door het gemeentepersoneel - De tweede ambulancier ontvangt voor de perioden dat hij van dienst is een wachtvergoeding indien: - de wachtdienst vooraf is geregeld. Dit betekent dat de tweede ambulancier bestendig bereikbaar moet zijn via de telefoon of radio. - hij 's nachts minstens beschikbaar is van 19.00 uur tot 6.00 uur. Voor de bijscholing (vervolmakingcursus ambulancier dienst 100) wordt een vergoeding toegekend van 100 % volgens het uurloon van een brandweerman, a rato van het aantal gevolgde uren. De uren bijscholing vervolmakingcursus ambulancier werden vastgelegd op 120 uur per 5 jaar.
De vaste ambulancier is verplicht in eerste plaats de tweede ambulancier van dienst op te roepen tussen 16.30 en 8.00 uur, tenzij er anders vooraf is afgesproken. Indien de tweede ambulancier niet te bereiken is, neemt hij als reserve wie hij wenst of kan bereiken. De vergoedingen worden op lijsten opgemaakt en kunnen maandelijks gedurende 1 week nagezien worden. Nadien worden ze beschouwd als in orde bevonden. 10. De wachtbeurt voor iedere zondag en feestdagen bestaande uit 3 personen die de dienst 100 en de brandoproep verzekeren wordt vergoed met respectievelijk ½ uur per man aan het dag uurloon van een brandweerman , verhoogd met 100% voor de periode van 6.00 uur tot 13.00 uur en met 1 uur per man aan het dag uurloon van een brandweerman, verhoogd met 100% voor de periode van 13.00 uur tot 21.00 uur. Hoofdstuk III - GEBOUWEN Art.42 . De voor de goede werking van de dienst nodige gebouwen en lokalen worden door de gemeente te zijner beschikking gesteld. …/…
Art.43. Het kazernement van de brandweerdienst moet gemakkelijk herkenbaar zijn. Daartoe moet bij de ingangen op borden of op muren het woord "Brandweer" onder een nachtverlichting worden aangebracht. Art.44. Het gemeentebestuur dient de nodige initiatieven te nemen om het uitrijden van de hulpvoertuigen te vergemakkelijken en te beschermen. Art.45. De brandweerdienst moet aangesloten zijn op het openbaar telefoonnet, en over ten minste één oproepnummer, uitsluitend voorbehouden voor de hulpoproepen, beschikken. Dit oproepnummer moet in de telefoongids vermeld staan onder de rubriek "Brandweer-Hulp". Een speciale schakelaar moet het mogelijk maken de hulpoproepen door te geven, enerzijds, naar het kazernement, en, anderzijds, naar de woning van de leden van de dienst die met de oproeping of de wederoproeping van het personeel belast zijn. HOOFDSTUK IV - MATERIEEL EN BEVOORRADING IN BLUSWATER Art.46. Het materieel wordt geplaatst in lokalen die door de gemeenteraad uitsluitend daarvoor bestemd worden. Het wordt bewaakt en onderhouden onder het toezicht van de dienstchef of van dezes gemachtigde. Het moet bestendig in goede staat en gebruiksklaar worden gehouden opdat het steeds voor interventies en oefeningen beschikbaar zou zijn. Het materieel mag, zelfs tijdelijk, niet voor andere doeleinden dan die van de dienst worden gebruikt. Art.47. De brandweerdienst is uitgerust met volgend materieel cfr. bijlage 2 van het K.B. van 8.11.67 gewijzigd bij het K.B. van 26.03.70 - B.S. 23.04.70. : Benaming van het materieel Louter gemeentelijk korps 1 2 2 1 1 2 4
tankwagen van 8000l water autopomp met hoge en lage druk en watertank personeels- en gereedschapsbrandweerwagen snelle hulp & commandowagen aanhangwagen draagbare motorpomp kelderpomp
ambulancewagen "100" semi-automatische defibrillator CO-meter pulsoxymeter schuifladder haakladder stroomaggregaat schijnwerper emmerpomp CO2 snelblusser of poedersnelblusser persluchttoestel (isoleermasker) brandwerende kledij persslangen en koppelingen 70 mm persslangen en koppelingen 45 mm mechanische spreider en snijder pedaalknipper explosiemeter overdrukventilator opblaasbare tent
1 2 1 1 10 2 3 4 2 8 16 1 1600 m 900 m 3 1 1 1 1 …/…
compressor 300 Bar 200 l/min hefkussen 20 ton + toebehoren hefkussen 29 ton + toebehoren GSM Computer met aangepast softwareprogramma interventiejas ) interventiebroek ) werkbroek ) 1 per man volgens werkjas ) het effectief laarzen (paar) ) helm + lamp ) nomexbeshermmuts) blushandschoenen ) alarmfluitje ) radiofonische uitrusting -16 ASTRIDzenders - individuele ontvangers
1 1 1 2 1
35
Art.48. De op of onder de openbare weg geplaatste hydranten staan ter beschikking van de dienstchef of van dezes gemachtigde die er te allen tijde gebruik mag van maken voor interventies en oefeningen. Art.49. De officier-dienstchef doet in de gemeente alle plaatsen waar water voor handen is opnemen. Hij stelt aan het gemeentebestuur de nodige maatregelen en werken voor om het vinden, de toegang en het gebruik ervan te vergemakkelijken. Eventueel stelt hij het aanleggen van bijkomende waterwinplaatsen voor. Bij het leggen of de uitbreiding van een watervoorzieningsnet gaat de vooraf geraadpleegde dienstchef na of de ontworpen installaties in de behoeften aan bluswater kunnen voorzien. Eerst doet hij verslag aan de inspectie van de brandweerdiensten. Hoofdstuk V - KLEDING EN UITRUSTING
Art.50. Alle leden van de brandweerdienst ontvangen ten bezware van de gemeentekas, een diensttenue, een branduitrusting en een uitgaanstenue volgens de voorschriften van het ministerieel besluit ter zake. Zij hebben tot plicht ze te onderhouden en in goede staat te bewaren. Art.51. De kledings- en uitrustingsvoorwerpen zomede de strikt onontbeerlijke persoonlijke voorwerpen van het lid van de dienst, welke tijdens en ter oorzake van de uitoefening van de dienst beschadigd of abnormaal bevuild zijn, worden hersteld, vervangen of schoongemaakt door toedoen van de gemeente. Art.52. De kledings- en uitrustingsstukken en het uitgangstenue mogen slechts bij de uitoefening van de dienst of ter gelegenheid van de vergaderingen voor beroepsbelangen of officiële plechtigheden gedragen worden. Art.53. Het diensttenue, de branduitrusting en het uitgaanstenue vormen elk een geheel, waarvan de samenstellende stukken niet afzonderlijk mogen worden gedragen. Art.54. Alleen het dragen van eretekens verleend door de Belgische regering is toegelaten. Door buitenlandse regeringen uitgereikte eretekens mogen slechts worden gedragen wanneer bij koninklijk besluit daartoe toelating is verleend. …/…
HOOFDSTUK VI - VERZEKERING VAN HET VRIJWILLIGERSPERSONEEL Art.55. In verband met de schadevergoeding voor ongevallen, die aan de leden- vrijwilligers van de brandweerdienst kunnen overkomen tijdens en ter oorzake van de uitoefening van hun functies in bevolen dienst, met of zonder materieel, daarin begrepen de ongevallen die zich kunnen voordoen op de weg naar het kazernement of bij hun terugkeer naar hun woning of naar de plaats waar zij werken, sluit het gemeentebestuur een polis van gemeen recht af bij een voor de verzekering inzake arbeidsongevallen erkende verzekeringsmaatschappij. Die polis dekt eveneens de ongevallen die zich kunnen voordoen tijdens lessen of vergaderingen van professionele aard en openbare demonstraties, zelfs buiten de normale activiteitszone, alsmede op het traject naar en van die plaatsen. Zij waarborgt de vrijwillige leden van de dienst een schadeloosstelling van ten minste gelijke waarde als verschuldigd zou zijn indien op hen toepasselijk waren de bepalingen van de wet van 3 juli 1967 houdende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen in de overheidssector en het ter uitvoering daarvan vastgestelde koninklijk besluit van 13 juli 1970. De rente voor overlijden en blijvende invaliditeit wordt berekend op basis van het bedrag zoals bepaald in artikel 4,§1, 2° id van voormelde wet van 3 juli 1967. Bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid is de schadeloosstelling gelijk aan het werkelijk geleden inkomensverlies weliswaar beperkt tot een maximale dagvergoeding gelijk aan het bedrag bepaald in artikel 4,§1, 2° lid van voormelde wet van 3 juli 1967 gedeeld door 365. Ieder vrijwillig lid van de dienst heeft evenwel het recht de schadeloosstelling te laten verzekeren op basis van zijn reëel beroepsinkomen, beperkt tot maximum € 123946,76. Hij dient daartoe jaarlijks een met bewijsstukken gestaafde aangifte te doen bij het gemeentebestuur, tegen ontvangstbewijs. De werkgever(s) en de verzekeringsinstelling waarbij de getroffene is aangesloten of waar hij is ingeschreven overeenkomstig de wetgeving inzake de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, zijn gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer voor wat betreft de vergoedingen die zij op wettelijke of statutaire basis dienen uit te keren. Die polis dekt de burgerlijke aansprakelijkheid van de gemeente waar het ongeval plaats heeft gehad en wordt gesloten voor een bedrag van tenminste € 1487361,15 per getroffene. De stagiairvrijwilliger wordt bij zijn indienstneming in kennis gesteld van de bepalingen van de door de in dienst nemende overheid afgesloten arbeidsongevallenverzekering. Elke wijziging in de bepalingen van deze polis wordt onmiddellijk aan alle personeelsleden meegedeeld.
Er wordt tevens een verzekering voor de persoonlijke voertuigen van de vrijwillige brandweerlieden afgesloten ter verzekering der materiële schade overkomen aan deze voertuigen wanneer zij zowel opgeroepen worden voor brandbestrijding als om aan oefening of andere brandweeractiviteiten deel te nemen. De verzekering is geldig op de weg naar het brandweerarsenaal, de rampplaats of plaats waar bedoelde activiteiten plaats hebben en omgekeerd. Art.55.bis. De in vorig artikel bedoelde verzekering wordt aangevuld met een verzekering ten gunste van de vrijwilligers aangegaan bij een daarvoor erkende maatschappij. Die verzekering wordt door de gemeenten verplicht afgesloten om, in geval van overlijden in dienst of ten gevolge van in dienst opgelopen verwondingen of ziekten, aan de rechtverkrijgenden de uitbetaling van een som van minimum € 12394.68 te waarborgen. Dit bedrag wordt aan de schommelingen van de index der consumptieprijzen gekoppeld overeenkomstig de regelen voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982. Het bedrag wordt aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De stagiairvrijwilliger wordt bij zijn indienstneming in kennis gesteld van de bepalingen van de door de in dienst nemende overheid afgesloten overlijdensverzekering. Elke wijziging in de bepalingen van de overlijdensverzekering wordt onmiddellijk aan alle personeelsleden meegedeeld. …/…
Alle verzekeringspolissen die de brandweer aanbelangen (of minstens conforme afschriften) moeten in de brandweerkazerne ter inzage zijn van het personeel. HOOFDSTUK VII - ADMINISTRATIEVE BESCHEIDEN Art.56. De officier-dienstchef waakt ervoor dat in zijn eenheid de navolgende bescheiden, al of niet geautomatiseerd, worden gehouden, overeenkomstig de desbetreffende, ministeriële onderrichtingen: 1. Het immatriculatieregister of -kaartsysteem (stamboek): het bevat per lid van de dienst, een of meer bladen of kaarten, waarop staan vermeld inlichtingen van professionele aard en inzonderheid: - identiteit, burgerlijke staat; - gezinstoestand (o.m. bij ongeval te verwittigen personen); - bloedgroep; - immatriculatienummer; - aanduidingen om een dringende terugroeping naar de dienst mogelijk te maken. 2. Het register van de hulpoproepen (brand en interventieverslagen in volgorde): in dat register worden chronologisch en doorlopend aangetekend: - het uur en de herkomst van de oproep; - de aard en de lokalisering van de brand; - het uur van vertrek van de hulpgroep en de samenstelling van elk dezer; - het uur van aankomst ter plaatse; - het uur waarop eventuele versterkingen worden gevraagd en de herkomst van die versterkingen; - het uur van terugkeer in de kazerne. 3. Het register of kaartsysteem der inventarissen : dit moet onderverdeeld worden volgens de noodwendigheden; het dient inzonderheid precieze aanduidingen te behelzen omtrent de volgende rubrieken : - materieel; - uitrusting; - kleding; - meubilair; - bureaumachines;
4. Het gebruiks- en onderhoudsboekje: bij elk voertuig en toestel moet een boekje gaan. Daarin worden vermeld data en uren van gebruik, afgelegde afstanden, bestemming, bevoorrading in brandstof en smeermiddelen alsmede de onderhouds- en herstellingswerken. Voor de toestellen zoals pompen en aggregaten wordt de rubriek "afgelegde afstand" vervangen door "duur van gebruik". 5. Het aanwezigheids- en prestatieregister: in dat register wordt de samenstelling der verschillende ploegen en de prestatie-uren van elk dezer opgetekend. Voorts wordt dagelijks daarin de afwezigheden en de redenen ervan vermeld. 6. Het repertorium en de dossiers van de gebouwen, gebouwencomplexen of installaties waar zeer grote gevaren bestaan welke van dien aard zijn dat zij moeten worden onderworpen aan de toepassing van artikel 15 van het Koninklijk Besluit dd. 8 november 1967 zoals dit laatste werd gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 2 oktober 1978 en waarvoor in geval van brand de gealarmeerde dienst de dichtsbijgelegen brandweerdienst van de categorie X of Y alsmede de territoriaal bevoegde interventiediensten van de civiele bescherming ter versterking moet oproepen. Het behoort aan de burgemeester van de gemeente, na ruggespraak met de bevoegde brandweerdienst, te bepalen welke gebouwen of installaties in de gemeente onder de toepassing vallen; op verzoek van de burgemeester wordt voor de bescherming tegen brand voor vermelde inrichtingen een voorafgaand interventieplan opgemaakt door de bevoegde brandweerdienst; voor elk van deze wordt het definitieve interventieplan door de burgemeester vastgesteld. Het repertorium kan in een register of op steekkaarten worden gehouden. Het betreft een …/… rangschikking in de alfabetische orde van de in de gemeente bestaande gebouwen of installaties als bedoeld in het hierboven aangehaald nieuw artikel 15 van het Koninklijk Besluit van 8 november 1967. In het dossier moeten benevens de voor de inrichting vastgestelde interventiekaarten, plans, toegangswegen en alle dienstige aanwijzingen voorkomen omtrent de aard en de omvang van de risico's alsmede de ligging van de in de onmiddellijke omgeving bestaande waterwinplaatsen. Bij het uitrukken van een interventie wordt het dossier van de betrokken inrichting overhandigd aan de bestuurder van de eerste interventiewagen, die het onverwijld afgeeft aan de leider van de operatie. Voorts zorgt de dienstchef ervoor dat een lijst van die inrichting in het kazernement wordt opgehangen, opdat alle leden van de dienst kennis ervan zouden hebben. De burgemeester van het gewestelijk groepscentrum wordt in het bezit gesteld van een exemplaar van de interventieplans alsmede van de dossiers waarvan sprake in onderhavig artikel. 7. De opgaven van de plaatsen waar bluswater voorhanden is: het hoofd van de brandweerdienst waakt ervoor dat kaarten worden opgemaakt, waarop klaar zijn aangeduid de wegen, de gebouwde zones, en de juiste ligging van de waterwinplaatsen. Op die kaarten brengt hij alle dienstige vermeldingen aan omtrent de aard van de waterwinplaatsen (hydranten, waterlopen, reservoirs), het debiet en de druk, de watervoorzieningsmaatschappijen en de gebruikte koppelingstypes met hun afmetingen. 8. Een persoonlijke steekkaart waarop alle tussenkomsten worden opgetekend waaraan een lid van de brandweer heeft deelgenomen, met vermelding van de gevaarlijke stoffen en van het besmettingsrisico waaraan het in voorkomend geval was blootgesteld. Het lid van de brandweer kan te allen tijde zijn persoonlijke steekkaart inzien en zijn opmerkingen erop noteren. Art.57. De officier-dienstchef waakt ervoor dat de volgende verslagen, al of niet geautomatiseerd, naar het model vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken, worden opgemaakt: 1. Het interventieverslag: wordt opgemaakt in tenminste vier exemplaren: de eerste drie exemplaren worden, binnen acht dagen gezonden aan de burgemeester van de groepscentrumgemeente aan de burgemeester van de gemeente, waar de interventie plaats vond, en aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het vierde exemplaar wordt in het archief van de dienst bewaard. 2. Het bijzonder interventieverslag: wordt opgemaakt in tenminste zes exemplaren. De eerste vijf worden binnen de vier dagen gezonden aan de burgemeester van de groepscentrumgemeente, aan
de burgemeester van de gemeente waar de interventie plaats vond, aan de bevoegde inspecteur van de brandweerdiensten, aan de provinciegouverneur, en aan de Minister van Binnenlandse Zaken; een zesde exemplaar wordt in het archief van de dienst bewaard. Dat bijzonder verslag dient te worden opgemaakt voor elke brand dat de dood van tenminste één persoon tot gevolg had of dat het gezamenlijk optreden van twee of meer hulpdiensten vereiste. Het vervangt het interventieverslag. 3. Het semestrieel activiteitsprogramma: is een overzicht van de voor het komende halfjaar te organiseren opleidingslessen en oefeningen. Het moet voor de 10e januari en 10e juli van elk jaar moet erbij aan de bevoegde inspecteur van de brandweerdiensten worden gezonden. 4. Het jaarlijkse activiteitsverslag: is de synthese van de activiteiten van de dienst gedurende het afgelopen kalenderjaar. Het wordt voor 31 januari in één exemplaar toegezonden aan de burgemeester aan de provinciegouverneur, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en in tweevoud aan de bevoegde inspecteur van de brandweerdiensten. Bovendien moet een maandelijks overzicht van prestaties en interventies worden overgemaakt aan het College van Burgemeester en Schepenen. HOOFDSTUK VIII - INSPECTIES EN BEZICHTIGING Art.58. De dienst is aan de door de Koning georganiseerde inspectie onderworpen, bij toepassing van artikel 9 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming. …/…
Art.59. Afgezien van de inspectie bedoeld in artikel 58 inspecteert de burgemeester, of de gedelegeerde schepen de brandweerdienst tenminste eenmaal per jaar. Zo ook inspecteert de officier-dienstchef geregeld de installaties alsmede het meubilair en het materieel van de brandweerdienst. Daartoe ziet hij de inventarissen na. Hij treft de maatregelen om vastgestelde vergissingen en verzuimen recht te zetten en te verhelpen. Art.60. Niet van toepassing HOOFDSTUK IX - OVERGANGSBEPALINGEN Art.61. Geschrapt HOOFDSTUK X - SLOTBEPALINGEN Art.62. Dit reglement wordt in drievoud, voor goedkeuring aan de provinciegouverneur voorgelegd. Een behoorlijk gewaarmerkt afschrift ervan wordt bezorgd aan: - de Minister van Binnenlandse Zaken; - de burgemeester; - de bevoegde inspecteur van de brandweerdiensten; - ieder lid van de dienst. Art.63. Het reglement mag van kracht worden na goedkeuring door de provinciegouverneur.
Namens de Gemeenteraad : In opdracht : De Secretaris, (get.) I. VANDENBUSSCHE Voor eensluidend afschrift : De Secretaris, I. VANDENBUSSCHE De Burgemeester, R. BEEUSAERT-PATTYN De Voorzitter - Burgemeester, (get.) R. BEEUSAERT-PATTYN
Provincie West-Vlaanderen - Arrondissement Roeselare - Gemeente Lichtervelde Uittreksel uit de notulen van de Gemeenteraad
Zitting : 25 JUNI 2007 & 26 januari 2009 Vrijwillige Brandweer - hervaststelling Organiek Reglement DE GEMEENTERAAD :
Gelet op de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, inzonderheid artikel 13 ; Gelet op het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand, inzonderheid artikel 2 en 15; Gelet op het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten, met als bijlage 3 het modelreglement voor de organisatie van een gemeentelijke vrijwilligers brandweerdienst, laatst gewijzigd bij KB van 3 juni 1999; Gelet op de omzendbrief van 4 oktober 1971 van de heer Gouverneur van West- Vlaanderen, waarbij mededeling gedaan wordt van de Ministeriële omzendbrief van 16 september 1971 in verband met laatstgenoemd koninklijk besluit ; Gelet op de wet van 24 december 1976 en het KB van 9 augustus 1979 tot regeling van de wijze van vaststelling en het verhaal van kosten van sommige interventies en prestaties van de gemeentelijke brandweer; Gelet op het KB van 14 oktober 1991 in verband met inzet van personeelsleden in interventies met gevaarlijke stoffen; Gelet op het KB van 7 augustus 1995 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen; Gelet op het KB van 19 april 1999 tot vaststelling van de geschiktheids- en bekwaamheidscriteria alsmede van benoembaarheids- en bevorderingsvoorwaarden van de officieren van de openbare brandweer; Gelet op het protocol nr. 99/04 van 18 mei 1999 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten; Gelet op het KB van 3 juni 1999 in verband met de verzekeringspolis van de leden van het vrijwillig brandweerkorps, de leden van de dienst “100”, de opgevorderde personen en de kandidaat vrijwillige brandweerlieden die deelnemen aan de wervingsproeven; Gelet op het KB van 7 april 2003 in verband met de nieuwe verdeling van de opdrachten inzake civiele bescherming tussen de openbare brandweerdiensten en de diensten van de civiele bescherming; Gelet op het KB van 8 april 2003 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten; Gelet op de Ministeriële omzendbrief van 7 mei 2004 betreffende de aanvragen tot vrijstelling van cursussen en examen in het kader van de opleiding van de leden van de brandweerdiensten en de aanvragen tot gelijkstellig van brevet van de leden van de brandweerdiensten; Gelet op het overleg met de officieren; Gelet op het besluit van de Gemeenteraad dd. 27 december 2005 houdende goedkeuring van dit reglement; Gelet op het schrijven van de Gouverneur dd. 9 maart 2006 waarbij het organiek reglement werd goed gekeurd.; …/…
Gelet op artikel 42 van het gemeentedecreet; Gelet op het voorstel van het College van Burgemeester en Schepenen; BESLUIT : eenparig
Enig artikel : Het Organiek Reglement van de gemeentelijke vrijwillige brandweerdienst wordt hervastgesteld als volgt : Grondreglement Vrijwillige Brandweer Lichtervelde HOOFDSTUK 1 - ORGANISATIE, TAAK EN SAMENSTELLING VAN DE BRANDWEERDIENST. Art.1. De brandweerdienst is autonoom. Hij is een vrijwilligerdienst. Art.2. Onverminderd de bevoegdheden van de burgemeester, wordt de dienst geleid door de officier-dienstchef. Deze draagt, in het raam van dit Organiek Reglement, van het Huishoudelijk Reglement en van de onderrichtingen die hem door de burgemeester worden verstrekt, de verantwoordelijkheid voor de organisatie, de goede werking en de tucht van de dienst. Bij afwezigheid van de dienstchef worden diens bevoegdheden door de aanwezige officier of, bij dezes ontstentenis, door de aanwezige onderofficier met de hoogste graad uitgeoefend. Bij gelijkheid in graad wordt het bevel gevoerd door de officier of, bij dezes ontstentenis, door de onderofficier met de meeste graadanciënniteit. Art.3. De brandweerdienst is belast met de taken die hem opgedragen zijn krachtens de wetten en reglementen inzake brandweerbestrijding en brandvoorkoming. De leden van de brandweerdienst mogen als zodanig niet ingezet worden voor andere taken dan die welke voor die dienst vastgesteld zijn. In meer wordt de brandweerdienst gelast met: 1/ de brandweeropdrachten vermeld in het koninklijk besluit van 07 april 2003 tot verdeling van de opdrachten inzake civiele bescherming tussen de openbare brandweerdiensten en de diensten van de civiele bescherming. 2/ de hulpverleningstaken krachtens bijzondere wettelijke reglementen, zoals vervat in: - de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening. - het koninklijk besluit van 28.2.1963 houdende het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van ioniserende stralingen. - het algemeen reglement voor arbeidsbescherming. - de wet van 31 december 1963 op de Civiele Bescherming en de taken in uitvoering daarvan omschreven in het KB. van 23 juni 1971. - de prestaties die eventueel het voorwerp uitmaken van een door de Provinciegouverneur goedgekeurde overeenkomst(en) met (een) ander(e) brandweerdienst(en) van de gewestelijke brandweergroep. - de interventies voor hulpverlening bepaald in het koninklijk besluit van 8.11.1967 Art.4. De dienst wordt derwijze georganiseerd dat voldoende manschappen (personeel en kaders) te allen tijde klaar staan om binnen de kortst mogelijke tijd op te treden. Art.5. De ledenvrijwilligers van de dienst kunnen door de officier-dienstchef of zijn plaatsvervanger opgeroepen worden in de volgende gevallen: 1° voor hun theoretische en praktische opleiding, voor de oefeningen, waarvan het minimum aantal op twaalf per jaar wordt vastgesteld, en voor inspecties; 2° voor elke interventie of taak die tot de opdrachten van de brandweerdienst behoort. Zij kunnen eveneens voor dienstnoodwendigheden door de burgemeester worden opgeroepen. Art.6. De brandweerdienst omvat het volgende personeel: (rekening houdend met de minima voorzien bij bijlage 1 van het koninklijk besluit van 08 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand. B.S. 19.06.1971) …/…
Categorieën
Graden
Aantalbetrekkingen
Aantal betrekkingen
Effectief in dienst
Effectief in
beroeps Operationeel personeel Officier diensthoofd Officieren Onderofficieren Sergeant-majoor Eerste sergeant Sergeant Korporaals brandweermanne n-ambulanciers Totaal I Personeel belast met bijzondere taken Officier geneesheer (deeltijds) Totaal II Algemeen totaal
vrijwilligers
beroeps
dienst vrijwilligers 1 2 1 1 1 2 4 23 35
Luitenant Luitenant Onderluitenant
1 2 1 1 1 2 4 25 37
Onderluitenant of luitenant
1
1
38
36
Maximum effectief: 38 Minimum effectief: 33 HOOFDSTUK 2 - PERSONEEL Art.7. Het beroepspersoneel heeft de hoedanigheid van gemeentepersoneel. Het vrijwilligers personeel heeft die hoedanigheid niet. Tijdens de duur van de prestaties bij de brandweerdienst valt het onder het stelsel bepaald door dit reglement en door de dienstnemingsakte. Art.8. werd opgeheven door het koninklijk besluit van 14 oktober 1991, art. 3 (B.S. 11.12.1991) 1. ANDERE PERSONEELSLEDEN DAN DE OFFICIEREN. Sectie I - Aanwervingen A. Bepalingen voor het beroepspersoneel. Art.9. Elke benoeming in vast verband wordt voorafgegaan door een stage, die georganiseerd wordt overeenkomstig de artikelen 12 tot 15. De aanwerving geschiedt in de graad van brandweerman. Wanneer echter de dienst slechts de beroepskorporaal, bedoeld in de bijlage 1 van het koninklijk besluit van 8 november 1967 behelst, mag de aanwerving in de graad van korporaal geschieden. B. Bepalingen voor het vrijwilligerspersoneel. Art.10. Elke effectieve indienstneming wordt voorafgegaan door een stage, die georganiseerd wordt overeenkomstig de artikelen 12 tot 15. Behoudens andersluidende bepalingen betreffende uitsluitend bijzondere ambten, geschiedt de aanwerving in de graad van brandweerman. De aanwervingvereisten voor de graad van brandweerman zijn de volgende : 1. De nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezitten. 2. De gemeenteraad kan bij elke benoeming eisen dat de betrokkenen hun hoofdverblijfplaats in een geografische zone hebben, eventueel binnen een bepaalde termijn. De gemeenteraad motiveert zijn beslissing in de benoemingsakte of in de aanwervingsovereenkomst. Een personeelslid dat de voorwaarde van verblijfplaats niet naleeft, maar de kazerne binnen een zeer korte termijn na de oproep kan bereiken, kan een afwijking van de voorwaarde van verblijfplaats vragen. 3. Ten minste 18 jaar oud zijn bij de eerste dienstneming in een brandweerdienst.
4. Ten minste 1,55 m groot zijn (gemeten zonder schoeisel). …/…
5. In het bezit zijn van een recent (maximum 2 maanden oud) bewijs van goed zedelijk gedrag en een uittreksel uit het strafregister bezorgen. 6. Voor de mannelijke kandidaten, in orde zijn met de dienstplichtwetten 7. Lichamelijk geschikt bevonden zijn ingevolge een geneeskundig onderzoek, verricht door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer tijdens werving en selectie krachtens het koninklijk besluit gezondheidstoezicht (zie artikel 14 koninklijk besluit) en de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken. Het geneeskundig onderzoek omvat: - een algemeen somatisch onderzoek (algemeen uitzicht, littekens,..); - een onderzoek van het voortbewegingsstelsel (skelet, gewrichten, spieren); - een onderzoek van de hartvaten (hart, pols, bloeddruk, aderspat); - een onderzoek van het ademhalingsstelsel (neus, keel, luchtpijp, longen); - een onderzoek van het abdomen (buik, organen, breuken); - een neurologisch onderzoek (Rompberg, pupilreflexen, peesreflexen, cremasterreflexen, tremor); - een onderzoek van het psychisme (algemeen gedrag, emotiviteit); - een onderzoek van de endocriene organen (schildklier); - een urineonderzoek (eiwit, suiker); - een onderzoek van de gezichtsscherpte (met en zonder bril) - een onderzoek van het gehoor In meer moeten de kandidaten: - geen enkel gebrek hebben, dat onverenigbaar is met de dienstvereisten - een sterke lichaamsgesteldheid hebben, die hun toelaat vermoeiende en ononderbroken fysische inspanningen te leveren, de weersgesteldheden te trotseren, op elk soort van terreinen te gaan en te lopen, te kruipen, te klimmen, te springen, te zwemmen, zware lasten te dragen (gewicht van een persoon zegge ongeveer 70 kg) - niet onderhevig zijn aan duizeligheid - in de hoogste mate aan rook kunnen weerstaan - een gezichtsscherpte hebben, zo nodig met brillenglazen, van 13/10 voor beide ogen samen, met een minimum van 3/10 voor het minst goede oog. De gezichtsscherpte zonder bril mag echter niet minder bedragen dan 5/10 voor beide ogen samen - voor elk oor een gehoorscherpte hebben die hun toelaat, zonder het dragen van een hoorapparaat, de normale conversatiestem te horen op 2,5m afstand, de rug naar de onderzoekende geneesheer gekeerd - geen gebrek hebben waardoor hun prestige ernstig in het gedrang kan komen bij het uitoefenen van hun functie. 8. De kandidaten moeten slagen in de proeven inzake lichamelijke geschiktheid. Op die proeven staan geen punten. De kandidaten moeten slagen in 8 van de 10 proeven. Het niet slagen in de proef C en E is eliminerend. De proeven inzake lichamelijke geschiktheid zijn: A. Voorligsteun het lichaam, dat op de handen en op de voeten steunt, vormt een rechte lijn van de schouders tot de hielen terwijl de armen loodrecht op de grond staan. Tijdens de oefening moet de borst de grond lichtjes raken. Armen buigen/strekken 10 maal B. Buiging van de armen In hang aan de boom of de brug, de handen in supinatie, d.w.z. de palm naar binnen. Het toestel wordt op zulkdanige hoogte geplaatst dat de voeten de grond niet raken. Voor de goede uitvoering is vereist dat de kin boven de brug uitkomt.
4 maal …/…
C. Evenwicht twee pogingen worden aan de kandidaat toegestaan. Op een boom van 7 tot 10 cm breed, 3.5 m lang, geplaatst op een hoogte van 1.2 m. Vrije manier van op- en afstijgen; de proef wordt gechronometreerd bij het geven van het signaal wanneer de kandidaat zich in evenwicht op de boom gesteld heeft. De chronometer wordt stilgelegd bij het einde van het parcours, voor de kandidaat van het toestel afstijgt, de voet voorwaarts gestrekt op het uiteinde van de boom. in 8'' D. 4 m touw klimmen twee pogingen, met een tussenpoos van 15' worden aan de kandidaat toegestaan. Het startsein wordt aan de kandidaat gegeven wanneer deze bij het touw staat, de armen langs het lichaam. in 15'' E. Beklimmen van de ladder van 10 m twee pogingen, met een tussenpoos van 15' worden aan de kandidaat toegestaan. De start gebeurt vanaf de voet van de ladder. De kandidaat houdt de armen langs het lichaam en raakt de ladder niet aan. De ladder staat tegen een muur en heeft een helling van 70 graden. in 20 '' F. Dragen over 50 meter twee pogingen, met een tussenpoos van 30', worden aan de kandidaat toegestaan. De proef bestaat in het dragen van een persoon van hetzelfde gewicht, op 5 kg na, als de drager. Hulpgreep bij een arm en een been. Het startsein wordt aan de kandidaat gegeven wanneer hij de last heeft opgenomen. in 30'' G. lengtesprong, zonder aanloop twee pogingen, met een tussenpoos van 5', worden aan de kandidaat toegestaan. Start: voeten gesloten achter de lijn. De afstand wordt bepaald door het dichtst bij de startlijn achtergelaten spoor, ongeacht met welk lichaamsdeel de grond werd geraakt. 2m H. Dieptesprong de kandidaat start vanuit de strekstand en mag geen tussensteun hebben. Het neerkomen gebeurt op een tapijt. 2m I. 600 m lopen in 2'45'' J. 100 meter zwemmen met de slag naar keuze zonder de voet aan de grond te zetten. 9. Het college van burgemeester en schepenen kan een examencommissie aanstellen ter evaluatie van de kandidaten. De samenstelling van de examencommissie wordt toevertrouwd aan het college van burgemeester en schepenen. 10. Gedurende de stageperiode moet de kandidaat het getuigschrift "stagiairbrandweerman", afgegeven door een erkend provinciaal centrum voor de opleiding van de brandweerdiensten behalen. 11. De kandidaten moeten na het behalen van het getuigschrift "stagiairbrandweerman", de eerst ingerichte cursus ambulancier dienst 100 volgen voor het bekomen van een geldig persoonlijk kenteken voor dringende geneeskundige hulpverlening, goedgekeurd en afgeleverd door het bevoegde F.OD. Volksgezondheid en Gezin. Onder de kandidaten die de gestelde voorwaarden vervullen wordt voorrang verleend aan de houders van brevetten uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer. In bijkomende orde wordt voorrang verleend aan de houders van rijbrevetten C (waarmee de houder voertuigen van meer dan 7,5 MTM mag besturen zoals ladderwagen, tankwagen, …). Het geneeskundig onderzoek en de proeven inzake lichamelijke geschiktheid zijn eliminerend en gaan elke andere selectieproef vooraf.
Art.11. De ledenvrijwilligers ondertekenen, voor hun indiensttreding als stagiair, een dienstnemingcontract voor de duur van de stage. Zij kunnen hun dienstneming te allen tijde …/…
verbreken met een maand opzegging. Het dienstnemingscontract dat de ledenvrijwilligers als stagiair tegen tekenen, vermeldt: 1. naam, voorna(a)m(en), geboorteplaats en geboortedatum, evenals de woonplaats; 2. de dag met ingang waarvan de vrijwilliger in dienst is genomen; 3. de graad en de vergoeding welke de vrijwilliger wordt toegekend; 4. de ontvangstmelding van een uittreksel uit de polis arbeidsongevallen; de ontvangstmelding van een uittreksel uit de polis overlijdensverzekering; 5. de verklaring van kennisname van en onderwerping aan het organiek reglement en het reglement van orde; Sectie 2 - Stage en opleiding. Art.12. Niemand wordt tot de stage toegelaten tenzij hij aan de aanwervingvereisten voldoet. De duur van de stage bedraagt één jaar. De stagiairs dienen de opleiding te volgen die te hunnen behoeve gegeven wordt in de provinciale centra voor de opleiding van de brandweerdiensten, waar hun het brevet van kandidaat-brandweerman wordt uitgereikt Art.13. De dienstchef en de leider van de operaties waken ervoor dat de stagiairs slechts aan de operaties deelnemen in de mate dat hun theoretische en praktische vorming dat toelaat. Art.14. De stagecommissie, samengesteld uit de dienstchef, officieren en onderofficieren, maakt aan het einde van de stage, ten behoeve van de benoemende of indienstnemende overheid, een verslag op over ieder stagiair. Zij stelt voor: - hetzij de effectieve indienstneming voor een stagiairvrijwilliger; - hetzij de verlenging van de stagetermijn voor een duur van ten hoogste tweemaal zes maanden; - hetzij de afdanking. Dit laatste kan eveneens tijdens de stage, en eventueel tijdens de verlengde stage, volgens dezelfde procedure worden voorgesteld wanneer de wijze van dienen van de stagiair te wensen overlaat. Art.15. Het in artikel 14 bedoelde verslag wordt aan de belanghebbende schriftelijk medegedeeld en door hem meeondertekend. Deze beschikt over een termijn van acht dagen, te rekenen vanaf de kennisneming, om bezwaar in te dienen bij de benoemende of indienstnemende overheid. Sectie 3 - Benoeming, indienstneming en loopbaan. Art.16 . Op grond van het einde-stageverslag kan de stagiair effectief in dienst worden genomen als vrijwilliger. Het dienstnemingcontract dat de vrijwilliger tegen tekent bij zijn effectieve indienstneming, voor de duur van vijf jaar, bevat dezelfde vermeldingen als het dienstnemingcontract bedoeld in artikel 11. Deze dienstneming is hernieuwbaar. Voor de officieren van de openbare brandweer moet volgens artikel 37 van het KB van 19 april 1999 bij hun definitieve indiensttreding een contract van onbepaalde duur worden opgesteld. Dit geldt tevens voor de officieren bekleed met een hogere graad. Art.17. Wanneer een bij bevordering te begeven betrekking openvalt wordt het personeel van de dienst daarvan door middel van een dienstnota in kennis gesteld. In die nota worden opgegeven de te vervullen voorwaarden, de eventueel opgelegde proeven en de stof ervan, evenals de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen. Art.18. Elke kandidatuur moet rechtstreeks en schriftelijk aan de burgemeester worden gericht.
Art.19. De vereisten voor toegang tot de bevorderingsgraden zijn de volgende: Rekening houdend met het KB van 8 april 2003 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten; …/…
a) wordt bevorderd tot korporaal, de brandweerman met minstens vijf jaar goede dienst, houder van een brevet van korporaal of een ermee gelijkgesteld brevet, uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer. Voorrang wordt verleend aan het hoogste brevet, en bij gelijkheid aan degene met meest dienstjaren in het korps en bij gelijkheid aan de oudste in leeftijd. Uit een omstandige nota door de dienstchef opgemaakt en meeondertekend door de officieren moet blijken dat de kandidaat de drie voorafgaande jaren: 1. tenminste twee derde der verplichte vergaderingen en oefeningen bijwoonde. 2. tenminste de helft der algemene branden heeft meegemaakt. Onder de algemene branden worden deze verstaan, waartoe al de manschappen opgeroepen worden. De houders van een brevet dienen tevens aan deze bijgevoegde voorwaarden te voldoen. b) Wordt bevorderd tot sergeant, de korporaal met minstens drie jaar goede dienst als korporaal, houder van een brevet van sergeant of een ermee gelijkgesteld brevet, uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer. Voorrang dient verleend aan het hoogste brevet, en bij gelijkheid aan degene met meest graadanciënniteit binnen het korps, en bij gelijkheid aan degene met de meeste dienstjaren binnen het korps en bij gelijkheid aan de oudste in leeftijd. Tevens zal rekening gehouden worden met de elementen, zoals bepaald voor de bevordering tot korporaal onder punt a. Bij ontstentenis van korporaal-brevethouders met voldoende aantal dienstjaren vervalt de bepaling inzake het aantal dienstjaren. c) wordt bevorderd tot eerste-sergeant, de sergeant met het brevet hoogst in waarde, uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer, voor zover hij door de dienstchef als geschikt wordt voorgesteld, en bij gelijkheid aan degene met meest graadanciënniteit binnen het korps, en bij gelijkheid aan degene met meest dienstjaren binnen het korps en bij gelijkheid aan de oudste in leeftijd. Tevens zal rekening gehouden worden met de elementen, zoals bepaald voor de bevordering tot korporaal onder punt a en sergeant onder punt b. d) wordt bevorderd tot sergeant- majoor, de eerste-sergeant met het brevet hoogst in waarde, uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer, voor zover hij door de dienstchef als geschikt wordt voorgesteld, en bij gelijkheid aan degene met meest graadanciënniteit binnen het korps, en bij gelijkheid aan degene met de meeste dienstjaren binnen het korps en bij gelijkheid aan de oudste in leeftijd. Tevens zal rekening gehouden worden met de elementen, zoals bepaald voor de bevordering tot korporaal onder punt a en sergeant onder punt b. e) wordt bevorderd tot adjudant, de sergeant met minstens drie jaar goede dienst als sergeant, houder van een brevet van adjudant of een ermee gelijkgesteld brevet, uitgereikt in het kader van het door de Staat of Provincie ingericht onderwijs inzake brandweer. Voorrang dient verleend aan het hoogste brevet, en bij gelijkheid aan degene met meest graadanciënniteit binnen het korps, en bij gelijkheid aan degene met de meeste dienstjaren binnen het korps en bij gelijkheid aan de oudste in leeftijd. Tevens zal rekening gehouden worden met de elementen, zoals bepaald voor de bevordering tot korporaal onder punt a en sergeant onder punt b. Art.20. De benoeming, de indienstneming of de bevordering wordt door de burgemeester of zijn gemachtigde rechtstreeks aan de belangstellende medegedeeld en ter kennis van de andere leden van de dienst gebracht. II. Alle personeelsleden
Sectie 1 - Beëindiging van het ambt A. Bepalingen voor het beroepspersoneel. Art.21. Het ambt van de beroepsleden van de brandweerdienst eindigt definitief door vrijwillig ontslag, ontslag van ambtswege of afzetting. Ter zake van vrijwillig ontslag geldt dezelfde regeling als voor de andere gemeenteambtenaren. Wanneer de betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 9, dan wordt door de benoemende overheid het ontslag van ambtswege uitgesproken Afzetting wordt uitgesproken door de gemeenteraad. Zij behoeft goedkeuring van de provinciegouverneur voor de officieren en van de bestendige deputatie voor de andere leden van de dienst. Het ambt van de beroepsleden van de dienst eindigt eveneens wanneer de betrokkene definitief ongeschikt is tot het vervullen van zijn ambt, als bepaald in artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel en in het koninklijk besluit van 20 februari 1963 houdende schorsing en beperking van de uitwerking van zekere regelen welke artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel inhoudt. B. Bepalingen voor het vrijwilligerspersoneel. Art.22. Aan ieder lid, vrijwilliger van de dienst, dat eervol uit zijn ambt wordt ontslagen onder de voorwaarden gesteld in de artikels 23 en 24, kan de eretitel van zijn graad worden verleend. Art.23. Het ambt van de ledenvrijwilligers van de dienst eindigt: …/…
1. bij het verstrijken van de duur van de dienstneming of van de wederdienstneming; 2. bij het bereiken van de leeftijdsgrens: eervol ontslag wordt verleend aan de betrokkene bij het verstrijken van de maand waarin hij de leeftijd van zestig jaar bereikt; 3. door vrijwillig ontslag: ontslag kan door de betrokkene te allen tijde, met opzegging van drie maanden worden gegeven; 4. Door ontslag van ambtswege: dit ontslag vindt plaats op initiatief van de indienstnemende overheid, wanneer de betrokkene de in artikel 10 gestelde voorwaarden niet langer vervult 5. door afdanking: wordt door de gemeenteraad uitgesproken ten aanzien van ieder lid: - a. wegens kennelijk wangedrag; - b. wegens miskenning van de tucht; - c. in het geval genoemd in artikel 33. Art.24. Eervol ontslag kan worden verleend aan ieder lidvrijwilliger van de dienst - die tenminste dertig jaar dienst telt; - die na tenminste tien jaar dienst, van ambtswege werd ontslagen ingevolge een hem in de dienst of naar aanleiding ervan overkomen ongeval Sectie 2 - Plichten A. Plichten die gelden voor alle leden. Art.25. De gemeenteraad bepaalt, bij een Huishoudelijk Reglement, de dienstbetrekkingen, de plichten van de leden en op algemene wijze de maatregelen betreffende de werking van de dienst en de uitvoering van de bepalingen van dit reglement. Art.26. Het is de leden van de dienst verboden naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt, onder eender welk voorwendsel, individueel en voor zich persoonlijk gratificatiën of beloningen te vragen of te ontvangen.
Art.27. De leden van de dienst zijn ertoe gehouden, ongeacht hun kwalificatie, deel te nemen aan de hulpoperaties waarvoor hun tussenkomst gevorderd wordt. B. Bijzondere plichten van sommige leden. Art.28. Betreffende de beroepskorporaal: niet van toepassing. Art.29. De officiergeneesheer moet: 1. instaan voor de opleiding van de leden van de brandweerdienst inzake eerste zorgen en reanimatie en periodiek herscholingscursussen organiseren; 2. de personeelsleden, die in dienst gekwetst worden, te verplegen, zelfs op de plaats van het ongeval; 3. de personeelsleden informeren omtrent de mogelijkheid zich lastens de in dienst nemende overheid preventief te laten inenten tegen het hepatitis A en B virus. 4. de medische dossiers van aanwerving en de protocols en outprints van de semi-automatische defibrillator bijhouden 5. het geneeskundig materieel (dienst 100) periodisch nazien. 6. Indien daartoe opgeroepen, zich onmiddellijk naar de plaats van interventie begeven om deel te nemen aan de redding van personen (o.a. geklemde personen) of ten preventieve titel. …/…
C. Plichten in geval van interventies Art.30. Bij ernstige branden kunnen de niet van dienst zijnde personeelsleden, op bevel van de dienstchef die er onmiddellijk de burgemeester van verwittigt, ertoe gehouden zijn zich onverwijld naar het kazernement te begeven. Art.31. De dienstchef treft alle dienstige voorzieningen in overeenstemming met het Huishoudelijk Reglement, opdat alle voertuigen en toestellen welke voor een belangrijke interventie vereist zijn, gelijktijdig zouden kunnen worden ingezet. Art.32. Wanneer, tijdens een brand in de gemeente voor het blussen of het beschermen van mensenlevens het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk vereist is moet de leider van de operaties de bevelen van de burgemeester niet afwachten. Sectie 3 - Onverenigbaarheden Art.33 . Onverminderd de gevallen van onverenigbaarheid genoemd in de nieuwe gemeentewet of in gemeentelijke reglementen, is er onverenigbaarheid tussen: - het ambt van beroepslid van een brandweerdienst en het ambt van lidvrijwilliger van dezelfde brandweerdienst. - het ambt van lid van een brandweerdienst en het ambt van lid van een politiedienst die deel uitmaakt van een openbare macht, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. De overheid bekleed met de bevoegdheid tot benoeming of aanstelling, kan een lid van een brandweerdienst, dat tezelfdertijd lid is van de gemeentepolitie, toestaan de functie van brandweerman te blijven uitoefenen. Deze afwijking wordt verleend aan het lid van een brandweerdienst in dienst voor 1 april 1999 en voor zover dit nodig is om de continuïteit van de betrokken brandweerdienst te verzekeren. Bovendien is het ieder lid van de dienst verboden werkzaam te zijn of belangen te hebben, zelfs door tussenpersoon: a) in ondernemingen die materieel vervaardigen, vervoeren of verkopen voor brandbescherming, -voorkoming of bestrijding. b) in ondernemingen die brandvoorkomingsmaatregelen bestuderen, toepassen of controleren.
Zodra de gemeenteraad de miskenning van een der bovenstaande onverenigbaarheden of verbodsbepalingen constateert, stelt hij de betrokkene in mora daaraan binnen zes maanden een einde te maken. Ieder lid dat na verloop van die termijn geen gevolg aan de aanmaning van de gemeenteraad heeft gegeven, wordt afgezet of afgedankt. Sectie 4 - Hiërarchie en tuchtregeling A. Bepalingen die gelden voor alle personeelsleden. Art.34. Zelfs buiten de prestatie-uren, blijft ieder lid van de dienst, dat het reglementaire tenue draagt, onderworpen aan de hiërarchie, zoals deze is vastgesteld in artikel 6 en moet het de hem krachtens de reglementaire bepalingen ter zake opgelegde verplichtingen nakomen. Art.35 . De aard, de reden en de datum van elke opgelegde tuchtstraf worden vermeld in het persoonlijk dossier van de betrokkene. B. Bepalingen die gelden voor het vrijwilligerspersoneel …/…
Art.36. Ten aanzien van de ledenvrijwilligers van de dienst kunnen de volgende tuchtstraffen worden uitgesproken: 1. de terechtwijzing; 2. de berisping; 3. de schorsing voor de duur van maximum één maand; 4. de afdanking; Art.37. Wat de officieren betreft: 1. worden de terechtwijzing en de berisping uitgesproken door de burgemeester; 2. worden de schorsing en de afdanking door de gemeenteraad, op voorstel van de burgemeester, uitgesproken. De desbetreffende raadsbeslissingen zijn aan de goedkeuring van de provinciegouverneur onderworpen. Art.38. Voor de andere leden dan de officieren: a) worden de terechtwijzing en de berisping uitgesproken door de officier-dienstchef; b) worden de schorsing en de afdanking door de gemeenteraad, op voorstel van de burgemeester, uitgesproken. Art.39. Geen enkele straf kan aan de bevoegde overheid worden voorgesteld zonder dat de betrokkene vooraf gehoord of ondervraagd werd. Art.40. De schorsing heeft inhouding van elke bezoldiging en beroving van de rechten op bevordering voor de duur van de straf tot gevolg. Sectie 5 - Vergoeding van het vrijwilligerspersoneel (GR van 26/01/2009) Art.41. De vergoedingen van de prestaties van de vrijwilligers worden volgens het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten, gewijzigd door het koninklijk besluit van 3 juni 1999 berekend naar rato van de uren prestaties op basis van minstens het gemiddelde van de wedden bepaald bij de weddenschaal van de overeenstemmende graad van het beroepspersoneel:
-stagiair PB1 -brandweerman PB2 -korporaal PB2bis -sergeant PB3 -eerste sergeant PB4 -sergeant-majoor PB5 -adjudant PB5speciaal -olt houder diploma 2 A1 -olt houder diploma 1 A6 -lt houder diploma 2 PBA2 -lt houder diploma 1 A7 -Officier-geneesheer A6 -lt-dienstchef (PBA2 + PBA3)/2 Het minimumuurloon wordt vastgesteld op 1/1976e van deze jaarlijkse brutobezoldiging. De reiskosten voor het vervullen van door de dienstchef behoorlijk gelaste bijzondere opdrachten, zijn vastgelegd als volgt: zie art.41/8 1. De vergoedingen zijn gekoppeld aan de schommelingen van de gezondheidsindex. De toepassing van een verhoging als gevolg van een stijging van het indexcijfer geschiedt onder dezelfde voorwaarden als voor de bezoldiging van het gemeentepersoneel. 2. De vergoedingen worden uitbetaald per kwartaal. 3. De vergoeding voor een interventie is tenminste gelijk aan de vergoeding voor twee prestatie-uren volgens de graad. De vergoeding voor een interventie met de ambulancewagen 100 wordt vergoed volgens het uurloon van een brandweerman. Voor iedere interventie bij nacht tussen 22.00 uur en 6.00 uur wordt de vergoeding verhoogd met 50%. Voor de interventies 's zondags of wettelijke feestdagen zowel bij dag als bij nacht tussen 0.00 uur en 24.00 uur bedraagt deze verhoging 100 %. 4. Voor iedere verplichte brandweeroefening, brandweertheorie of brandweerles wordt een vergoeding toegekend van 100% volgens de graad. 5. Het wekelijks onderhoudswerk en het uittesten van het materieel door de aangewezen ploeg met weekdienst wordt vergoed met een maximum van 1/2 uur/man/week. 6. De vergoeding van een kleine niet dringende interventie zoals wespen verdelgen e.a. wordt vergoed volgens de gepresteerde uren. Voor het geven van water zijn de vergoedingen beperkt tot een vastgesteld maximum uren volgens het aantal liters. 7. In verband met het vergoeden van sommige prestaties zoals vergaderingen en besprekingen, de verantwoordelijkheid en niet te vergoeden kosten eigen aan de functie wordt een fictief maximumcontingent van wekelijkse prestatie-uren bepaald, dat door de burgemeester, op voorstel van de dienstchef, wordt verdeeld tussen de dienstchef, de korpsarts, de officieren en de secretaris, die de prestaties werkelijk verrichten. Dit wekelijks fictief contingent bedraagt 14 uren volgens de graad en de dienst waarbinnen ze werkzaam zijn. 8. De ledenvrijwilligers van de dienst kunnen tot dekking van de kosten voor reizen, waartoe zij voor het uitvoeren van speciale taken mochten gehouden zijn, vergoed worden op gelijkaardige grondslagen als voor het gemeentepersoneel gelden. 9. De personeelsleden die belast zijn met een wachtdienst voor de ambulance en de brandoproep hebben recht op een wachtvergoeding. Deze wachtvergoeding bedraagt: - voor de nachtdienst: 3 man aan 1 uur per nacht - voor de zaterdag: 3 man aan 1 uur per dag (de dag kan gesplitst worden in 2 x 1/2 uur) Het uurloon is het daguurloon van een brandweerman. - De verantwoordelijke ambulancier (hoofdambulancier) of de andere vaste ambulancier ontvangt voor de perioden dat hij van dienst is een wachtvergoeding, uitgezonderd: - tijdens de gewone werkdag wanneer de dienst verzekerd wordt door het gemeentepersoneel - De tweede ambulancier ontvangt voor de perioden dat hij van dienst is een wachtvergoeding indien: - de wachtdienst vooraf is geregeld. Dit betekent dat de tweede ambulancier bestendig bereikbaar moet zijn via de telefoon of radio. - hij 's nachts minstens beschikbaar is van 19.00 uur tot 6.00 uur. Voor de bijscholing (vervolmakingcursus ambulancier dienst 100) wordt een vergoeding toegekend van 100 % volgens het uurloon van een brandweerman, a rato van het aantal gevolgde uren. De uren bijscholing vervolmakingcursus ambulancier werden vastgelegd op 120 uur per 5 jaar.
De vaste ambulancier is verplicht in eerste plaats de tweede ambulancier van dienst op te roepen tussen 16.30 en 8.00 uur, tenzij er anders vooraf is afgesproken. Indien de tweede ambulancier niet te bereiken is, neemt hij als reserve wie hij wenst of kan bereiken. De vergoedingen worden op lijsten opgemaakt en kunnen maandelijks gedurende 1 week nagezien worden. Nadien worden ze beschouwd als in orde bevonden. 10. De wachtbeurt voor iedere zondag en feestdagen bestaande uit 3 personen die de dienst 100 en de brandoproep verzekeren wordt vergoed met respectievelijk ½ uur per man aan het dag uurloon van een brandweerman , verhoogd met 100% voor de periode van 6.00 uur tot 13.00 uur en met 1 uur per man aan het dag uurloon van een brandweerman, verhoogd met 100% voor de periode van 13.00 uur tot 21.00 uur. Hoofdstuk III - GEBOUWEN Art.42 . De voor de goede werking van de dienst nodige gebouwen en lokalen worden door de gemeente te zijner beschikking gesteld. …/…
Art.43. Het kazernement van de brandweerdienst moet gemakkelijk herkenbaar zijn. Daartoe moet bij de ingangen op borden of op muren het woord "Brandweer" onder een nachtverlichting worden aangebracht. Art.44. Het gemeentebestuur dient de nodige initiatieven te nemen om het uitrijden van de hulpvoertuigen te vergemakkelijken en te beschermen. Art.45. De brandweerdienst moet aangesloten zijn op het openbaar telefoonnet, en over ten minste één oproepnummer, uitsluitend voorbehouden voor de hulpoproepen, beschikken. Dit oproepnummer moet in de telefoongids vermeld staan onder de rubriek "Brandweer-Hulp". Een speciale schakelaar moet het mogelijk maken de hulpoproepen door te geven, enerzijds, naar het kazernement, en, anderzijds, naar de woning van de leden van de dienst die met de oproeping of de wederoproeping van het personeel belast zijn. HOOFDSTUK IV - MATERIEEL EN BEVOORRADING IN BLUSWATER Art.46. Het materieel wordt geplaatst in lokalen die door de gemeenteraad uitsluitend daarvoor bestemd worden. Het wordt bewaakt en onderhouden onder het toezicht van de dienstchef of van dezes gemachtigde. Het moet bestendig in goede staat en gebruiksklaar worden gehouden opdat het steeds voor interventies en oefeningen beschikbaar zou zijn. Het materieel mag, zelfs tijdelijk, niet voor andere doeleinden dan die van de dienst worden gebruikt. Art.47. De brandweerdienst is uitgerust met volgend materieel cfr. bijlage 2 van het K.B. van 8.11.67 gewijzigd bij het K.B. van 26.03.70 - B.S. 23.04.70. : Benaming van het materieel Louter gemeentelijk korps 1 2 2 1 1 2 4
tankwagen van 8000l water autopomp met hoge en lage druk en watertank personeels- en gereedschapsbrandweerwagen snelle hulp & commandowagen aanhangwagen draagbare motorpomp kelderpomp
ambulancewagen "100" semi-automatische defibrillator CO-meter pulsoxymeter schuifladder haakladder stroomaggregaat schijnwerper emmerpomp CO2 snelblusser of poedersnelblusser persluchttoestel (isoleermasker) brandwerende kledij persslangen en koppelingen 70 mm persslangen en koppelingen 45 mm mechanische spreider en snijder pedaalknipper explosiemeter overdrukventilator opblaasbare tent
1 2 1 1 10 2 3 4 2 8 16 1 1600 m 900 m 3 1 1 1 1 …/…
compressor 300 Bar 200 l/min hefkussen 20 ton + toebehoren hefkussen 29 ton + toebehoren GSM Computer met aangepast softwareprogramma interventiejas ) interventiebroek ) werkbroek ) 1 per man volgens werkjas ) het effectief laarzen (paar) ) helm + lamp ) nomexbeshermmuts) blushandschoenen ) alarmfluitje ) radiofonische uitrusting -16 ASTRIDzenders - individuele ontvangers
1 1 1 2 1
35
Art.48. De op of onder de openbare weg geplaatste hydranten staan ter beschikking van de dienstchef of van dezes gemachtigde die er te allen tijde gebruik mag van maken voor interventies en oefeningen. Art.49. De officier-dienstchef doet in de gemeente alle plaatsen waar water voor handen is opnemen. Hij stelt aan het gemeentebestuur de nodige maatregelen en werken voor om het vinden, de toegang en het gebruik ervan te vergemakkelijken. Eventueel stelt hij het aanleggen van bijkomende waterwinplaatsen voor. Bij het leggen of de uitbreiding van een watervoorzieningsnet gaat de vooraf geraadpleegde dienstchef na of de ontworpen installaties in de behoeften aan bluswater kunnen voorzien. Eerst doet hij verslag aan de inspectie van de brandweerdiensten. Hoofdstuk V - KLEDING EN UITRUSTING
Art.50. Alle leden van de brandweerdienst ontvangen ten bezware van de gemeentekas, een diensttenue, een branduitrusting en een uitgaanstenue volgens de voorschriften van het ministerieel besluit ter zake. Zij hebben tot plicht ze te onderhouden en in goede staat te bewaren. Art.51. De kledings- en uitrustingsvoorwerpen zomede de strikt onontbeerlijke persoonlijke voorwerpen van het lid van de dienst, welke tijdens en ter oorzake van de uitoefening van de dienst beschadigd of abnormaal bevuild zijn, worden hersteld, vervangen of schoongemaakt door toedoen van de gemeente. Art.52. De kledings- en uitrustingsstukken en het uitgangstenue mogen slechts bij de uitoefening van de dienst of ter gelegenheid van de vergaderingen voor beroepsbelangen of officiële plechtigheden gedragen worden. Art.53. Het diensttenue, de branduitrusting en het uitgaanstenue vormen elk een geheel, waarvan de samenstellende stukken niet afzonderlijk mogen worden gedragen. Art.54. Alleen het dragen van eretekens verleend door de Belgische regering is toegelaten. Door buitenlandse regeringen uitgereikte eretekens mogen slechts worden gedragen wanneer bij koninklijk besluit daartoe toelating is verleend. …/…
HOOFDSTUK VI - VERZEKERING VAN HET VRIJWILLIGERSPERSONEEL Art.55. In verband met de schadevergoeding voor ongevallen, die aan de leden- vrijwilligers van de brandweerdienst kunnen overkomen tijdens en ter oorzake van de uitoefening van hun functies in bevolen dienst, met of zonder materieel, daarin begrepen de ongevallen die zich kunnen voordoen op de weg naar het kazernement of bij hun terugkeer naar hun woning of naar de plaats waar zij werken, sluit het gemeentebestuur een polis van gemeen recht af bij een voor de verzekering inzake arbeidsongevallen erkende verzekeringsmaatschappij. Die polis dekt eveneens de ongevallen die zich kunnen voordoen tijdens lessen of vergaderingen van professionele aard en openbare demonstraties, zelfs buiten de normale activiteitszone, alsmede op het traject naar en van die plaatsen. Zij waarborgt de vrijwillige leden van de dienst een schadeloosstelling van ten minste gelijke waarde als verschuldigd zou zijn indien op hen toepasselijk waren de bepalingen van de wet van 3 juli 1967 houdende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen in de overheidssector en het ter uitvoering daarvan vastgestelde koninklijk besluit van 13 juli 1970. De rente voor overlijden en blijvende invaliditeit wordt berekend op basis van het bedrag zoals bepaald in artikel 4,§1, 2° id van voormelde wet van 3 juli 1967. Bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid is de schadeloosstelling gelijk aan het werkelijk geleden inkomensverlies weliswaar beperkt tot een maximale dagvergoeding gelijk aan het bedrag bepaald in artikel 4,§1, 2° lid van voormelde wet van 3 juli 1967 gedeeld door 365. Ieder vrijwillig lid van de dienst heeft evenwel het recht de schadeloosstelling te laten verzekeren op basis van zijn reëel beroepsinkomen, beperkt tot maximum € 123946,76. Hij dient daartoe jaarlijks een met bewijsstukken gestaafde aangifte te doen bij het gemeentebestuur, tegen ontvangstbewijs. De werkgever(s) en de verzekeringsinstelling waarbij de getroffene is aangesloten of waar hij is ingeschreven overeenkomstig de wetgeving inzake de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, zijn gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer voor wat betreft de vergoedingen die zij op wettelijke of statutaire basis dienen uit te keren. Die polis dekt de burgerlijke aansprakelijkheid van de gemeente waar het ongeval plaats heeft gehad en wordt gesloten voor een bedrag van tenminste € 1487361,15 per getroffene. De stagiairvrijwilliger wordt bij zijn indienstneming in kennis gesteld van de bepalingen van de door de in dienst nemende overheid afgesloten arbeidsongevallenverzekering. Elke wijziging in de bepalingen van deze polis wordt onmiddellijk aan alle personeelsleden meegedeeld.
Er wordt tevens een verzekering voor de persoonlijke voertuigen van de vrijwillige brandweerlieden afgesloten ter verzekering der materiële schade overkomen aan deze voertuigen wanneer zij zowel opgeroepen worden voor brandbestrijding als om aan oefening of andere brandweeractiviteiten deel te nemen. De verzekering is geldig op de weg naar het brandweerarsenaal, de rampplaats of plaats waar bedoelde activiteiten plaats hebben en omgekeerd. Art.55.bis. De in vorig artikel bedoelde verzekering wordt aangevuld met een verzekering ten gunste van de vrijwilligers aangegaan bij een daarvoor erkende maatschappij. Die verzekering wordt door de gemeenten verplicht afgesloten om, in geval van overlijden in dienst of ten gevolge van in dienst opgelopen verwondingen of ziekten, aan de rechtverkrijgenden de uitbetaling van een som van minimum € 12394.68 te waarborgen. Dit bedrag wordt aan de schommelingen van de index der consumptieprijzen gekoppeld overeenkomstig de regelen voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982. Het bedrag wordt aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De stagiairvrijwilliger wordt bij zijn indienstneming in kennis gesteld van de bepalingen van de door de in dienst nemende overheid afgesloten overlijdensverzekering. Elke wijziging in de bepalingen van de overlijdensverzekering wordt onmiddellijk aan alle personeelsleden meegedeeld. …/…
Alle verzekeringspolissen die de brandweer aanbelangen (of minstens conforme afschriften) moeten in de brandweerkazerne ter inzage zijn van het personeel. HOOFDSTUK VII - ADMINISTRATIEVE BESCHEIDEN Art.56. De officier-dienstchef waakt ervoor dat in zijn eenheid de navolgende bescheiden, al of niet geautomatiseerd, worden gehouden, overeenkomstig de desbetreffende, ministeriële onderrichtingen: 1. Het immatriculatieregister of -kaartsysteem (stamboek): het bevat per lid van de dienst, een of meer bladen of kaarten, waarop staan vermeld inlichtingen van professionele aard en inzonderheid: - identiteit, burgerlijke staat; - gezinstoestand (o.m. bij ongeval te verwittigen personen); - bloedgroep; - immatriculatienummer; - aanduidingen om een dringende terugroeping naar de dienst mogelijk te maken. 2. Het register van de hulpoproepen (brand en interventieverslagen in volgorde): in dat register worden chronologisch en doorlopend aangetekend: - het uur en de herkomst van de oproep; - de aard en de lokalisering van de brand; - het uur van vertrek van de hulpgroep en de samenstelling van elk dezer; - het uur van aankomst ter plaatse; - het uur waarop eventuele versterkingen worden gevraagd en de herkomst van die versterkingen; - het uur van terugkeer in de kazerne. 3. Het register of kaartsysteem der inventarissen : dit moet onderverdeeld worden volgens de noodwendigheden; het dient inzonderheid precieze aanduidingen te behelzen omtrent de volgende rubrieken : - materieel; - uitrusting; - kleding; - meubilair; - bureaumachines;
4. Het gebruiks- en onderhoudsboekje: bij elk voertuig en toestel moet een boekje gaan. Daarin worden vermeld data en uren van gebruik, afgelegde afstanden, bestemming, bevoorrading in brandstof en smeermiddelen alsmede de onderhouds- en herstellingswerken. Voor de toestellen zoals pompen en aggregaten wordt de rubriek "afgelegde afstand" vervangen door "duur van gebruik". 5. Het aanwezigheids- en prestatieregister: in dat register wordt de samenstelling der verschillende ploegen en de prestatie-uren van elk dezer opgetekend. Voorts wordt dagelijks daarin de afwezigheden en de redenen ervan vermeld. 6. Het repertorium en de dossiers van de gebouwen, gebouwencomplexen of installaties waar zeer grote gevaren bestaan welke van dien aard zijn dat zij moeten worden onderworpen aan de toepassing van artikel 15 van het Koninklijk Besluit dd. 8 november 1967 zoals dit laatste werd gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 2 oktober 1978 en waarvoor in geval van brand de gealarmeerde dienst de dichtsbijgelegen brandweerdienst van de categorie X of Y alsmede de territoriaal bevoegde interventiediensten van de civiele bescherming ter versterking moet oproepen. Het behoort aan de burgemeester van de gemeente, na ruggespraak met de bevoegde brandweerdienst, te bepalen welke gebouwen of installaties in de gemeente onder de toepassing vallen; op verzoek van de burgemeester wordt voor de bescherming tegen brand voor vermelde inrichtingen een voorafgaand interventieplan opgemaakt door de bevoegde brandweerdienst; voor elk van deze wordt het definitieve interventieplan door de burgemeester vastgesteld. Het repertorium kan in een register of op steekkaarten worden gehouden. Het betreft een …/… rangschikking in de alfabetische orde van de in de gemeente bestaande gebouwen of installaties als bedoeld in het hierboven aangehaald nieuw artikel 15 van het Koninklijk Besluit van 8 november 1967. In het dossier moeten benevens de voor de inrichting vastgestelde interventiekaarten, plans, toegangswegen en alle dienstige aanwijzingen voorkomen omtrent de aard en de omvang van de risico's alsmede de ligging van de in de onmiddellijke omgeving bestaande waterwinplaatsen. Bij het uitrukken van een interventie wordt het dossier van de betrokken inrichting overhandigd aan de bestuurder van de eerste interventiewagen, die het onverwijld afgeeft aan de leider van de operatie. Voorts zorgt de dienstchef ervoor dat een lijst van die inrichting in het kazernement wordt opgehangen, opdat alle leden van de dienst kennis ervan zouden hebben. De burgemeester van het gewestelijk groepscentrum wordt in het bezit gesteld van een exemplaar van de interventieplans alsmede van de dossiers waarvan sprake in onderhavig artikel. 7. De opgaven van de plaatsen waar bluswater voorhanden is: het hoofd van de brandweerdienst waakt ervoor dat kaarten worden opgemaakt, waarop klaar zijn aangeduid de wegen, de gebouwde zones, en de juiste ligging van de waterwinplaatsen. Op die kaarten brengt hij alle dienstige vermeldingen aan omtrent de aard van de waterwinplaatsen (hydranten, waterlopen, reservoirs), het debiet en de druk, de watervoorzieningsmaatschappijen en de gebruikte koppelingstypes met hun afmetingen. 8. Een persoonlijke steekkaart waarop alle tussenkomsten worden opgetekend waaraan een lid van de brandweer heeft deelgenomen, met vermelding van de gevaarlijke stoffen en van het besmettingsrisico waaraan het in voorkomend geval was blootgesteld. Het lid van de brandweer kan te allen tijde zijn persoonlijke steekkaart inzien en zijn opmerkingen erop noteren. Art.57. De officier-dienstchef waakt ervoor dat de volgende verslagen, al of niet geautomatiseerd, naar het model vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken, worden opgemaakt: 1. Het interventieverslag: wordt opgemaakt in tenminste vier exemplaren: de eerste drie exemplaren worden, binnen acht dagen gezonden aan de burgemeester van de groepscentrumgemeente aan de burgemeester van de gemeente, waar de interventie plaats vond, en aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het vierde exemplaar wordt in het archief van de dienst bewaard. 2. Het bijzonder interventieverslag: wordt opgemaakt in tenminste zes exemplaren. De eerste vijf worden binnen de vier dagen gezonden aan de burgemeester van de groepscentrumgemeente, aan
de burgemeester van de gemeente waar de interventie plaats vond, aan de bevoegde inspecteur van de brandweerdiensten, aan de provinciegouverneur, en aan de Minister van Binnenlandse Zaken; een zesde exemplaar wordt in het archief van de dienst bewaard. Dat bijzonder verslag dient te worden opgemaakt voor elke brand dat de dood van tenminste één persoon tot gevolg had of dat het gezamenlijk optreden van twee of meer hulpdiensten vereiste. Het vervangt het interventieverslag. 3. Het semestrieel activiteitsprogramma: is een overzicht van de voor het komende halfjaar te organiseren opleidingslessen en oefeningen. Het moet voor de 10e januari en 10e juli van elk jaar moet erbij aan de bevoegde inspecteur van de brandweerdiensten worden gezonden. 4. Het jaarlijkse activiteitsverslag: is de synthese van de activiteiten van de dienst gedurende het afgelopen kalenderjaar. Het wordt voor 31 januari in één exemplaar toegezonden aan de burgemeester aan de provinciegouverneur, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en in tweevoud aan de bevoegde inspecteur van de brandweerdiensten. Bovendien moet een maandelijks overzicht van prestaties en interventies worden overgemaakt aan het College van Burgemeester en Schepenen. HOOFDSTUK VIII - INSPECTIES EN BEZICHTIGING Art.58. De dienst is aan de door de Koning georganiseerde inspectie onderworpen, bij toepassing van artikel 9 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming. …/…
Art.59. Afgezien van de inspectie bedoeld in artikel 58 inspecteert de burgemeester, of de gedelegeerde schepen de brandweerdienst tenminste eenmaal per jaar. Zo ook inspecteert de officier-dienstchef geregeld de installaties alsmede het meubilair en het materieel van de brandweerdienst. Daartoe ziet hij de inventarissen na. Hij treft de maatregelen om vastgestelde vergissingen en verzuimen recht te zetten en te verhelpen. Art.60. Niet van toepassing HOOFDSTUK IX - OVERGANGSBEPALINGEN Art.61. Geschrapt HOOFDSTUK X - SLOTBEPALINGEN Art.62. Dit reglement wordt in drievoud, voor goedkeuring aan de provinciegouverneur voorgelegd. Een behoorlijk gewaarmerkt afschrift ervan wordt bezorgd aan: - de Minister van Binnenlandse Zaken; - de burgemeester; - de bevoegde inspecteur van de brandweerdiensten; - ieder lid van de dienst. Art.63. Het reglement mag van kracht worden na goedkeuring door de provinciegouverneur.
Namens de Gemeenteraad : In opdracht : De Secretaris, (get.) I. VANDENBUSSCHE Voor eensluidend afschrift : De Secretaris, I. VANDENBUSSCHE De Burgemeester, R. BEEUSAERT-PATTYN De Voorzitter - Burgemeester, (get.) R. BEEUSAERT-PATTYN
This document is © 2009 by daan - all rights reserved.
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| Organiekreglement 2010.doc | 109.5 KB |
