Huishoudelijk reglement

Embedded Scribd iPaper - Requires Javascript and Flash Player
Provincie West-Vlaanderen - Arrondissement Roeselare - Gemeente Lichtervelde Uittreksel uit de notulen van de Gemeenteraad
Zitting : 25 JUNI 2007 Aanwezig : Mevr. Ria Beeusaert-Pattyn, Burgemeester-voorzitter; Mevr. R. Vanwalleghem, OCMW-voorzitter Mevr E. Kindt, H. Delameilleure, J. Goethals, G. Huyghe, Schepenen; R. Carpentier, M. Derho, J. Vandenbussche, R. Vierstraete, , Mevr. E. Vandenberghe, L. Goddyn, W. Marchand, Mevr. D. Snaet, Mevr. J. Van Doorne, S. Bogaert, L. Vanderper en M. Missinne, leden; I.Vandenbussche, Secretaris Verontschuldigd: J. Goddyn , T. Handsaeme, raadsleden Dagorde : Punt 13 : Vrijwillige Brandweer - hervaststelling Huishoudelijk Reglement DE GEMEENTERAAD :
Gelet op de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, inzonderheid artikel 13; Gelet op het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand, inzonderheid artikel 2 en 15; Gelet op het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten, met als bijlage 3 het modelreglement voor de organisatie van een gemeentelijke vrijwilligers brandweerdienst, laatst gewijzigd bij KB van 3 juni 1999; Gelet op de omzendbrief van 4 oktober 1971 van de heer Gouverneur van West- Vlaanderen, waarbij mededeling gedaan wordt van de Ministeriële omzendbrief van 16 september 1971 in verband met laatstgenoemd koninklijk besluit; Gelet op de wet van 24 december 1976 en het KB van 9 augustus 1979 tot regeling van de wijze van vaststelling en het verhaal van kosten van sommige interventies en prestaties van de gemeentelijke brandweer; Gelet op het KB van 14 oktober 1991in verband met inzet van personeelsleden in interventies met gevaarlijke stoffen; Gelet op het KB van 7 augustus 1995 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen; Gelet op het KB van 19 april 1999 tot vaststelling van de geschiktheids- en bekwaamheidscriteria alsmede van benoembaarheids- en bevorderingsvoorwaarden van de officieren van de openbare brandweer; Gelet op het protocol nr. 99/04 van 18 mei 1999 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten; Gelet op het KB van 3 juni 1999 in verband met de verzekeringspolis van de leden van het vrijwillig brandweerkorps, de leden van de dienst “100”, de opgevorderde personen en de kandidaat vrijwillige brandweerlieden die deelnemen aan de wervingsproeven; Gelet op het KB van 7 april 2003 in verband met de nieuwe verdeling van de opdrachten inzake civiele bescherming tussen de openbare brandweerdiensten en de diensten van de civiele bescherming; Gelet op het KB van 8 april 2003 betreffende de opleiding van de leden van de hulpdiensten; Gelet op de Ministeriële omzendbrief van 7 mei 2004 betreffende de aanvragen tot vrijstelling van cursussen en examen in het kader van de opleiding van de leden van de brandweerdiensten en de aanvragen tot gelijkstellig van brevet van de leden van de brandweerdiensten; Gelet op het besluit van de Gemeenteraad dd. 27 december 2006 houdende goedkeuring van dit Huishoudelijk Reglement; Gelet op artikel 42 van het gemeentedecreet; Gelet op het voorstel van het College van Burgemeester en Schepenen; …/…
BESLUIT: eenparig Enig artikel - Het Huishoudelijk Reglement van de gemeentelijke vrijwillige brandweerdienst wordt hervastgesteld als volgt: Huishoudelijk reglement van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst TITEL 1: DIENSTBETREKKINGEN Hoofdstuk 1 Personeel: bevelvoering en hiërarchie Art.1. De formatie van de gemeentelijke brandweerdienst is vastgelegd in het organiek reglement met inachtneming van de hiërarchische rangorde en van de bijlage 1 aan het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand. Art.2. De bevoegdheid en de vervanging van de officier-dienstchef worden geregeld in het organiek reglement. Art.3. De hiërarchie is als volgt samengesteld: - de officier dienstchef - de luitenant - de onderluitenant - de sergeant-majoor - de eerste sergeant - de sergeant - de korporaal - de brandweerman Bij gelijkheid in graad wordt voorrang verleend in volgorde van: de grootste graadanciënniteit binnen het korps het hoogste aantal dienstjaren binnen het korps de hoogste leeftijd De leden van de dienst zijn gebonden door de plichten voortspruitend uit de hiërarchie en nader omschreven in hoofdstuk 8 "Plichten". Art.4. Het ambt van korpssecretaris wordt vervuld door een officier, onderofficier of korporaal en wordt door de Burgemeester, op voorstel van de officier-dienstchef aangeduid. Art.5. Bij zijn inlijving ontvangt ieder lid een immatriculatienummer. Dit nummer komt voor op het stamblad. Het stamblad bevat de volgende vermeldingen: - immatriculatienummer; - naam en voornaam; - geboorteplaats en -datum; - telefoonnummer(s); - data van begin en einde van de stage (stagecontract); - data van de eventuele verlengingen van de stage; - data van de effectieve indienstneming; - data der vijfjaarlijkse contractvernieuwingen; - data der bevorderingen; - data, aard en reden van de toegekende eretekens; - data, aard en reden van de opgelegde tuchtstraffen; …/…
- alle andere nuttig geachte inlichtingen zoals de gegevens uit het immatriculatieregister of -kaartsysteem. De stambladen worden bewaard onder vorm van een boek "stamboek" genoemd, waaruit de in volgorde genummerde bladen niet mogen verwijderd worden. Hoofdstuk 2 - Kadervergadering of bestuur Art.6. De kadervergadering of bestuur is samengesteld uit volgende actieve leden van de dienst: a) de officier-dienstchef b) de officieren d) de onderofficieren en korporaals e) één brandweerman met minimum 10 jaar dienst, om de 2 jaar te vervangen en te beginnen met de oudste in dienstjaren binnen het korps, die nog niet in het bestuur zetelde. De tweejaarlijkse periode neemt een aanvang de eerste kadervergadering van het nieuwe jaar. Art.7. Het bestuur wordt voorgezeten door de officier-dienstchef of bij ontstentenis door degene die hem vervangt. Elke beslissing wordt bij meerderheid van stemmen getroffen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. De leden van het bestuur mogen aan de stemming niet deelnemen wanneer een beslissing getroffen wordt betreffende henzelf of een van hun bloedverwanten in de eerste of de tweede graad of hun samenwonenden. Het bestuur kan geen beslissingen nemen die in strijd zijn met het Organiek Reglement. Datum en uur van de kadervergadering worden op de activiteitenagenda vermeld. Art.8. De kadervergadering heeft tot doel het bespreken van nieuwe technieken, materieel, oefeningen en de werking van het korps. Er wordt verwacht van ieder lid van de bestuursvergadering dat ze op deze vergadering aanwezig zijn. De agenda van de vergadering wordt door de voorzitter vastgelegd. De korpssecretaris houdt het verslagboek over de kadervergaderingen bij. Hoofdstuk 3 - Raad van Advies Art.9. In de brandweerdienst wordt een Raad van Advies opgericht die, onverminderd de bevoegdheden van de respectieve gemeenteoverheden en van de officier-dienstchef, tot taak heeft de belangen van het korps te behartigen in overeenstemming met wetten, besluiten en reglementen, De Raad heeft slechts adviserende bevoegdheid. Art.10. De Raad van Advies bestaat uit volgende actieve leden van de dienst: de officier-dienstchef, de officieren, 1 onderofficier, 1 korporaal, 1 brandweerman en de korpssecretaris, ze worden verkozen uit het bestuur om de 2 jaar. Art.11. De Raad van Advies wordt bijeengeroepen en voorgezeten door de officier-dienstchef of bij ontstentenis door degene die hem vervangt, wanneer deze dit nodig acht. Elk advies wordt bij meerderheid van stemmen uitgebracht. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. Het is de leden van de Raad verboden aan de stemming deel te nemen over aangelegenheden waarbij zijzelf of hun bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad of hun samenwonenden een belang hebben. Ieder lid van de Raad mag punten op de agenda doen plaatsen. De vergaderingen van de adviesraad zijn verplichte diensten voor wie er deel van uit maakt. De Korpssecretaris houdt het verslagboek over de vergadering bij. Na de kadervergadering komt de Raad van Advies en daarna het bestuur van de vriendenkring bijeen. Om de 4 maand komen de officieren en de adjudant in overleg bijeen met de Burgemeester. Het gemeentelijk rampenplan krijgt daar dan ook een jaarlijkse update. …/…
Hoofdstuk 4 - Dienstregeling Art.12. De dienstregeling gebeurt door de officier-dienstchef door middel van de activiteitenagenda, de dienstorders, de oprichting van een wachtdienst, standaard operatie procedures, actiekaarten, interventieplannen, werkgroepen en het gemeentelijk rampenplan. Uiterlijk tegen eind december, het bestuur geraadpleegd, wordt de activiteitenagenda voor het volgende dienstjaar opgesteld. Deze agenda vermeldt datum en uur van de oefeningen, kadervergaderingen, werkbeurten, wachtdiensten, beurtrollen en andere verplichte diensten. Datum en uur van de in de activiteitenagenda vastgelegde diensten en oefeningen kunnen wegens bijzondere reden bij dienstorder worden gewijzigd. De activiteitenagenda wordt aan alle leden van de dienst medegedeeld. Art.13. De ploegdienst per week voor de brandweer en de weekdienst ambulance dienst 100 begint iedere maandag om 07.0u volgens de jaarlijks vastgelegde activiteitenagenda . - De interventies worden naar gelang de omvang en de ernst uitgevoerd ofwel door de ploeg met weekdienst, ofwel door de ploeg met weekdienst en de reserveploeg (= volgende ploeg met weekdienst) ofwel door het hele korps. - De officier-dienstchef kan per dienstorder een extra dagploeg samenstellen die overdag van 7.00 tot 18.00 ter versterking kan geroepen worden van de ploeg met weekdienst en de reserveploeg die eerst opgeroepen worden. - Er wordt een wachtrol vastgesteld voor ieder weekend of feestdag, bestaande uit 3 personen die de dienst 100 en de brandoproep verzekeren: De persoon die de telefoondienst verzekert zal ingeval van brand de oproep uitvoeren en direct daarna de telefoondienst terug verzekeren of laten verzekeren. Een beurtrol wordt door de officier-dienstchef opgemaakt voor de periode van 1 jaar. Vrijstelling van deze dienst kan verleend worden voor vaste op voorhand vastgestelde tijdsblokken. Degene die vrijstelling aanvraagt moet een plaatsvervanger voorstellen en de officier-dienstchef en de dispatcher hiervan verwittigen. De plaatsvervanger die aanvaardt, verbindt zich voor de duur van de vrijstelling tot het nakomen van alle verplichtingen van de vrijgestelde. - Elke zaterdagmiddag om 12.30 uur zorgt de dispatcher voor een testoproep. Na de testoproep dient de dispatcher telefonisch kontact op te nemen met de personen die het weekend van dienst zijn. - Telkens er verplaatsingen voorzien worden waarbij een groot gedeelte brandweermannen betrokken zijn, zal een ploeg worden aangeduid om de dienst te verzekeren. Hoofdstuk 5 - Optreden op het grondgebied van een andere gemeente. Art.14. De brandweerdienst kan opgeroepen worden om in de volgende omstandigheden op te treden op het grondgebied van een andere gemeente. a) ter versterking: Deze versterking kan opgeroepen worden: 1. in het raam van art. 14 van het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand; 2. in het raam van een overeenkomst met een andere gemeente. Het optreden ter versterking ingevolge een overeenkomst geschiedt binnen de perken ervan. De bevoegdheid van de plaatselijke Burgemeester blijft onaangetast: de optredende brandweerdienst is een te zijner beschikking gesteld technisch middel om de brand te bestrijden. b) in het kader van het koninklijk besluit van 23 juli 1971 houdende organisatie van de opdrachten van de civiele bescherming en coördinatie van de operaties bij rampspoedige gebeurtenissen, catastrofes en schadegevallen. TITEL II - ONDERHOUD VAN MATERIEEL EN GEBOUWEN, KLEDIJ EN UITRUSTING. …/…
Hoofdstuk 6 - Materieel en gebouwen. Art.15. De officier-dienstchef duidt onder de officieren een verantwoordelijke aan voor het toezicht op onderhoud van het materieel. Na iedere oefening of tussenkomst moet de verantwoordelijke van de wagen ervoor zorgen dat de wagen en het materieel volledig in orde zijn en gebruiksklaar voor een volgende opdracht. De leden van de dienst, aangewezen voor het nazicht en het onderhoud van het materieel, raadplegen het gebruiks- en onderhoudsboekje en waken ervoor dat al het materieel steeds getest, gereinigd en teruggeplaatst wordt op zijn voorziene plaats. Elk nazicht of elke herstelling moet in de kortst mogelijke tijd worden uitgevoerd door het personeel zelf en in het gebruiks- en onderhoudsboekje worden genoteerd. Kunnen onderhouds- of herstellingswerken niet door het personeel zelf uitgevoerd worden, dan wordt de officier-dienstchef onmiddellijk verwittigd. Hij stelt zonder verwijl het College van Burgemeester en Schepenen hiervan in kennis. Alleen de officier-dienstchef is gemachtigd kleine bestellingen dienende tot onderhoud van het materieel of voor de noodwendigheid van de dienst te doen. Iedere bestelling van nieuw materieel of buitengewone onderhoudskosten moet schriftelijk aan de burgemeester en het schepencollege aangevraagd worden. Iedere aanvraag tot bestelling moet volgende gegevens omvatten: - datum der aanvraag; - reden en motivering der bestelling; - adres (sen) van leverancier(s); - totale prijs der te bestellen goederen (BTW inbegrepen). Bij iedere levering zal een leveringsbon gevoegd worden met alle gegevens hierboven vermeld. Art.16. De gebouwen, zowel binnen als buiten, evenals het bijhorend erf dienen door de leden gebruikt met inachtneming van de normale regelen van netheid en respect voor de goederen van de gemeente. De sanitaire installaties dienen op de meest verzorgde manier gebruikt te worden. De vergaderzaal en de sanitaire installaties worden op regelmatige tijdstippen door het gemeentepersoneel onderhouden. Er is een jaarlijkse inspectie door de arbeidsgeneesheer van de sanitaire installaties, de E.H.B.O.kast en de veiligheid en hygiëne in de gebouwen. Hoofdstuk 7 - Kledij en uitrusting. Art.17. De samenstelling van de kledij en de uitrusting is bepaald door het organiek reglement en dient te beantwoorden aan het ministerieel besluit terzake. Het uitgaanstenue bestaat uit (volgens het MB dd. 2 april 80): Voor niet officieren: Voor officieren: - uniform - uniform - kepi - kepi - hemd (hemelsblauw) - hemd (wit) - das met embleem (donkerblauw) - das (zwart) - sokken ( zwart) - sokken ( zwart) - lage schoenen (zwart) - lage schoenen (zwart) - regenmantel - regenmantel - handschoenen (wit) - lederen handschoenen (zwart) - epauletten - epauletten De diensttenue bestaat uit een ensemble van twee stukken samengesteld uit een vest en een broek, een hemd of een T-shirt, een pull-over en sokken conform het M.B. van 1 oktober 1991. De branduitrusting bestaat uit: - brandweervest - brandweerbroek - helm & lamp - veiligheidslaarzen …/…
- veiligheidshandschoenen - veiligheidsfluitje voor sommige leden: - veiligheidsriem - veiligheidskoord - bijl Het diensttenue uitgezonderd sokken en pull-over en de branduitrusting worden overhandigd bij de toelating tot de stage; het uitgangstenue, uitgezonderd sokken en schoenen bij de effectieve indienstneming. Art.18. Voor elk lid van de dienst wordt op een steekkaart of in een register bijgehouden welke kledij en branduitrusting door de gemeente ter beschikking werd gesteld. De steekkaarten of het register moeten naast het immatriculatie-nummer tenminste de volgende inlichtingen bevatten: 1. datum, aard en eventueel nieuwwaarde van de ter beschikking gestelde kledij en uitrusting; 2. datum, aard en eventueel reden van de vervanging van kledij en uitrusting; 3. datum van en vaststelling bij de inspectie; 4. datum en reden van de inlevering van kledij en uitrusting, alsmede de vaststelling terzake. Art.19. De uitgangs- en diensttenue wordt door de leden van de dienst zelf bewaard. De branduitrusting dient zich in de brandweerkazerne op de plaats aangeduid door de officierdienstchef of zijn plaatsvervanger te bevinden. De officier-dienstchef of zijn plaatsvervanger kunnen in het belang van de dienst hierop afwijkingen toestaan. Alle stukken van de kledij en van de persoonlijke uitrusting ter beschikking gesteld van de leden van de dienst worden gemerkt met het immatriculatienummer of de naam. Elk lid van de dienst is ertoe gehouden te waken over de perfecte toestand van de hem toevertrouwde kledij en branduitrusting. Elk verlies, elke beschadiging, vernietiging of diefstal wordt onverwijld na de vaststelling ter kennis gebracht van de officier-dienstchef of zijn plaatsvervanger. Art.20. Bij de uitdiensttreding is het betrokken lid ertoe gehouden binnen de acht dagen de hem overhandigde kledij en branduitrusting in te leveren bij de officier-dienstchef of zijn plaatsvervanger. Van deze regel kan door het College van Burgemeester en Schepenen worden afgeweken wat het uitgaanstenue betreft, voor de personeelsleden welke eervol ontslag hebben bekomen. Bij het indienen of omruilen van kledingstukken moeten ze gereinigd afgegeven worden. Voor het uitgaanstenue moet een attest van de nieuwkuis voorgelegd worden. Art.21. De officier-dienstchef, de arbeidsgeneesheer of hun plaatsvervanger inspecteren tenminste éénmaal per jaar de ter beschikking gestelde kledij, de branduitrusting en de persoonlijke beschermingsmiddelen. Tegen de leden die zich zonder geldige reden aan de inspectie onttrekken kunnen tuchtmaatregelen getroffen worden. Bij iedere oefening of dienst moet ieder brandweerman in de voorgeschreven tenue en stipt aanwezig zijn. Art.22. Tijdens de interventies en oefeningen waartoe de leden van de dienst worden opgeroepen dienen deze, behoudens andersluidend bevel van de interventieleider, de branduitrusting te dragen. Tijdens feestelijkheden, optochten congressen en officiële plechtigheden wordt het uitgangstenue gedragen. TITEL 3 - PLICHTEN EN TUCHT Hoofdstuk 8 - Plichten. …/…
Afdeling 1. Plichten voor alle leden. Art.23. Alle leden van de dienst dienen aanwezig te zijn: 1. op de interventies, waarvoor zij opgeroepen worden; 2. op alle oefeningen vermeld op de activiteitsagenda; 3.voor opdrachten in verband met wachtdienst, waarvoor zij aangeduid zijn 4.op alle andere oefeningen, opdrachten, vergaderingen, bijeenkomsten en plechtigheden opgelegd door de officier-dienstchef; 5. telkens als zij worden opgevorderd voor de dienst en voor de inspecties. 6. op het jaarlijks arbeidsgeneeskundig onderzoek van de interbedrijfsgeneeskundige dienst van het Gemeentebestuur. Het is ieder lid dat met ziekte- of herstelverlof is, verboden deel te nemen aan oefeningen, opdrachten, vergaderingen, bijeenkomsten, lessen, plechtigheden of interventies tenzij er een schriftelijke toestemming is van de behandelde geneesheer op het ziekteattest. Art.24. Om als wettig afwezig te worden aangetekend dient een afdoende reden aan de officier-dienstchef medegedeeld te worden. Elke andere afwezigheid wordt als ongewettigd beschouwd. Als geldige reden voor de afwezigheid zijn slechts aanvaard: ziekte, rouw en verplicht werk. Iedere andere afwezigheid moet voorafgaandelijk worden medegedeeld aan de officier-dienstchef of zijn plaatsvervanger. Art.25. Ieder lid van de dienst, ongeacht zijn graad, dat enig materieel heeft bediend, dient na terugkomst in de brandweerkazerne, het materieel in orde te brengen de voorgeschreven bescheiden zorgvuldig in te vullen en alle vastgestelde gebreken of tekorten aan de overste te melden. Art.26. Ieder lid van de dienst is na elke oefening of hulpverlening ervoor verantwoordelijk dat zijn branduitrusting gereinigd en klaar is voor gebruik. Art.27. Het is de brandweermannen verboden, als zodanig te vergaderen of het uniform te dragen, tenzij zij daartoe uitgenodigd of gemachtigd zijn, overeenkomstig de bepalingen van het organieke reglement of onderhavig Huishoudelijk Reglement. Afdeling 2. Bijzondere plichten van sommige leden Art.28. Alleen de officier-dienstchef of hij die hem vervangt, mag bevelen geven voor het bestrijden van een brand, voor de verschillende werkzaamheden en de reddingsdienst. Het personeelslid met de hoogste hiërarchie dat samen met andere personeelsleden de eerste hulp verleent, geeft de nodige bevelen. Bij aankomst van de officier-dienstchef of zijn vervanger wordt het bevel overgedragen. Art.29. Met inachtneming van artikel 14 van het K.B. van 8 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand, en van artikel 2 van het organiek reglement, is de leider van de operatie de officier-dienstchef of zijn hiërarchische opvolger. Art.30.§1. Bij alarmering moeten de leden van de dienst zich zo vlug mogelijk naar de brandweerkazerne begeven, hun brandkledij aantrekken of meenemen en de bevelen en richtlijnen van de overste opvolgen. Iedere brandweerman die, bij alarm op weg naar het brandweerstation, de plaats van de ramp moet voorbijgaan, blijft ter plaatse en biedt er de mogelijke hulp. De opgekomen leden van de dienst die niet naar de plaats van onheil gestuurd worden, blijven ter beschikking van de overste in de kazerne. Zij mogen de kazerne slechts verlaten na toestemming daartoe bekomen hebben. …/…
§.2. Het lid dat op de dienst wordt gekwetst moet dit onmiddellijk melden aan de bevelvoerende overste en zich laten verzorgen door de geneesheer. Art.31.§1. De bevelvoerder van de wagen is het lid met de hoogste graad, dat zich in het uitrukkend voertuig bevindt. Hij is verantwoordelijk voor: - de orde en de tucht in de wagen en bij het in- en uitstappen van de manschappen; - het radiocontact met de kazerne en/of 100-centrum; - het opnieuw in gereedheid brengen van het voertuig bij de terugkomst in de brandweerkazerne. §.2. Bij iedere hulpverlening moet de overste van de wagen ervoor zorgen dat het radiocontact met de brandweerkazerne en met de andere voertuigen van de dienst behouden blijft van het vertrek uit de kazerne tot de terugkomst. §.3. In de voertuigen wordt het stilzwijgen bewaard tenzij voor dienstmeldingen. In de voertuigen en tijdens de interventie mag niet worden gerookt. §.4. Bij de aankomst op de plaats van de hulpverlening meldt de wagenoverste zich onmiddellijk bij de leider van de interventie van wie hij de bevelen zal ontvangen. In afwachting van enig bevel blijven de manschappen bij hun respectievelijk voertuig. §.5. De autogeleider moet in het bezit zijn van een geldig rijbewijs in overeenstemming met het bestuurde voertuig. Hij is verantwoordelijk voor de wagen of de sleep die hij bestuurt. Alvorens te starten vergewist hij er zich van dat de aanhangwagen degelijk is aangekoppeld, de stekker van de batterijlader is uitgetrokken en alle deuren zorgvuldig zijn gesloten. Hij volgt in alles stipt de reglementen van de politie op het wegverkeer en richt zich naar de aanwijzingen van de wagenoverste. §.6. Behalve in gevallen van absolute noodzaak bij hulpverlening mag geen enkel voertuig vertrekken zonder begeleiding van een gegradeerde. Dit is een absoluut voorschrift bij de oefeningen. Art.32. Het is de leden van de dienst verboden zich met toeschouwers in een gesprek te mengen of ze enige uitleg te verschaffen. Mededelingen aan politie, andere hulpdiensten, pers en andere communicatiemedia mogen enkel door de leider van de interventie verstrekt worden. Art.33. Overbodig personeel en materieel worden door de leider van de interventie naar de brandweerkazerne teruggezonden. Art.34. Bij iedere uitruk voor hulpverlening dienen de leden bij terugkeer in het brandweerstation hun aanwezigheid op te geven. Art.35. Twee uur na brand, hulpverlening of dienst is het verboden zich nog in brandtenue of uitgangskledij te bevinden. Art.36. De overste die getuige is van een tekortkoming of overtreding van een ondergeschikte is verplicht hem daarop te wijzen en de tekortkoming of overtreding aan de officier-dienstchef te melden. Hoofdstuk 9 - Tuchtregeling. Afdeling 1. Overtredingen tegen de tucht. Art.37. Alle tekortkomingen aan de plichten vastgesteld in het organiek reglement en dit reglement van orde, alle overtredingen van de verbodsbepalingen van dezelfde reglementen, alsmede alle feiten die aanleiding kunnen geven tot strafvervolging of die de eer en de waardigheid van de brandweerdienst of het gemeentebestuur in opspraak of het vertrouwen van het publiek in het gedrang kunnen brengen, kunnen, als overtredingen van de tucht, uit die aard gesanctioneerd …/…
worden met de tuchtstraffen voorzien in het organiek reglement. Art.38. Onverminderd hetgeen elders is vastgelegd, worden volgende plichten vastgesteld: - tijdens de dienst worden de hiërarchische oversten aangesproken met hun graad; de officieren worden begroet bij de eerste ontmoeting; - ieder lid moet de ontvangen bevelen van de bevelvoerende stipt, vlug en zonder morren uitvoeren. De mindere mag slechts bezwaar indienen nadat hij gehoorzaamd heeft. Elk bezwaar moet de officier-dienstchef langs hiërarchische weg en dit binnen de 24 uren toekomen; - het is ieder lid ten strengste verboden te roken, te drinken en te eten tijdens de dienst zonder toelating van de overste; - de leden van de dienst moeten gedurende de dienst aan hun taak de grootste zorg besteden, de hiërarchische rangorde eerbiedigen en steeds orde, stiptheid en welvoeglijkheid in acht nemen; - de leden moeten de officier-dienstchef binnen de 24 uur in kennis stellen van alle klachten na iedere dienst; - gedurende de dienst en zolang de leden het uniform dragen mogen zij geen besprekingen voeren noch zinspelingen maken over politieke en filosofische aangelegenheden noch aan enige politieke aangelegenheid of betoging deelnemen. - bij ziekte of werkonbekwaamheid dient een ziekteattest van de geneesheer binnen de 48 uur aan de officier-dienstchef overgemaakt te worden. Art.39. De tucht wordt eveneens overtreden in de volgende gevallen: - de overste die zich enige daad van geweld of honende uitdrukking jegens een ondergeschikte veroorlooft; - de ondergeschikte die een overste oneerbiedig bejegent, zich onbetamelijke uitdrukkingen tegenover hem veroorlooft of met woorden of gebaren diens handelingen afkeurt; - degene die verzuimt of weigert een bevel uit te voeren; - degene die zich bij alarm niet met de vereiste spoed naar de brandweerkazerne of naar de aangeduide plaats begeeft; - degene die tijdens de dienst wordt aangetroffen onder invloed van alcoholische drank of verboden drugs; - degene die zonder bevel van de bevoegde overste materieel gebruikt en/of in werking stelt; - degene die tijdens de dienst hetzij moedwillig, hetzij uit onachtzaamheid enige daad stelt die hemzelf of een ander persoon in gevaar brengt of waardoor materieel niet met de nodige zorg wordt behandeld of wordt beschadigd; - degene die enig uitrustingsstuk dat hem werd toevertrouwd verwaarloost, beschadigt, verpandt, verkoopt of vernietigt; - wie zich aan diefstal schuldig maakt. Afdeling 2. Tuchtprocedure Art.40. De aard, de reden en de datum van elke opgelegde tuchtstraf worden in het persoonlijk dossier van de betrokkene vermeld. Art.41. Voor de ledenvrijwilligers van de gemeentelijke brandweerdienst wordt de tuchtregeling voorzien in het organiek reglement verder uitgewerkt in dit reglement van orde. De procedure inzake toepassing van het tuchtreglement geschiedt als volgt: a) de tuchtprocedure kan worden ingezet na de vaststelling van een voor tuchtstraf vatbaar feit; b) het lid van de dienst tegen wie de tuchtprocedure werd ingesteld, dient schriftelijk in kennis gesteld van de hem ten laste gelegde feiten; er dient hem voldoende tijd geboden om zijn verweer voor te bereiden; c) het verhoor en/of ondervraging wordt afgenomen: - voor feiten die ten hoogste kunnen gesanctioneerd worden met de tuchtstraffen "terechtwijzing" of “berisping”: …/…
- wat de officieren betreft: door de burgemeester; - wat de niet-officieren betreft: door de officier-dienstchef; - voor feiten die kunnen gesanctioneerd worden met de tuchtstraffen "schorsing voor de duur van maximum één maand" of “afdanking”: door de burgemeester; het betrokken lid dient de gelegenheid te krijgen zijn verweermiddel tegen het voorstel van de burgemeester aan de gemeenteraad voor te dragen; daartoe beschikt het over een termijn van tenminste 14 dagen tussen het verhoor door de burgemeester en het verschijnen voor de gemeenteraad; d) van elk verhoor dient proces-verbaal opgemaakt dat wordt ondertekend door de verhorende tuchtoverheid en de gehoorde; van een weigering het proces-verbaal te ondertekenen wordt akte genomen; e) de toe te passen tuchtstraffen zijn opgesomd in het organiek reglement; ze dienen opgelegd in verhouding met de ernst van het voor tuchtstraf vatbaar feit; f) de ernst van het voor tuchtstraf vatbaar feit wordt afgemeten naar de aard ervan, de mogelijke gevolgen en de aanwezigheid verzachtende of verzwarende omstandigheden; g) de opgelegde tuchtstraf dient aan de betrokkene betekend of tegen ontvangstbewijs afgeleverd; h) de aard, de reden en de datum van elke opgelegde tuchtstraf worden vermeld in het persoonlijk dossier van de betrokkene. TITEL 4 - CEREMONIEEL Art.42. De nieuwe benoemde officier-dienstchef wordt door de burgemeester aan het korps voorgesteld; de nieuw benoemde onderluitenant door de officier- dienstchef; Art.43. De nieuw benoemde onderluitenant legt de eed af in handen van de Burgemeester. De eed luidt: "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische Volk". Bij deze gelegenheid is de betrokken officier in uitgaanstenue. Art.44. Het vaandel wordt bij openbare plechtigheden gedragen. TITEL 5 AMBULANCEDIENST Art.45. Ieder lid van de ambulancedienst moet houder zijn van een geldig persoonlijk kenteken van dringende geneeskundige hulpverlening, goedgekeurd en afgeleverd door het ministerie van Volksgezondheid en van het gezin, en van een bekwaamheidsattest semi-automatische defibrillator. Hij moet daartoe om de vijf jaar een door het bevoegde departement vervolmakingcursus ambulancier dienst 100 volgen. Deze bijscholing (permanente vorming) bestaat uit 120 uur (24 uur per jaar). Na iedere vijfjaarlijkse vervolmakingcursus moet de ambulancier slagen voor een test waarna hij een attest voor de aanvraag van een badge krijgt. Art.46. Ieder lid van de brandweer moet op de hoogte zijn van de werking van het verschillend materiaal ter bevrijding van geklemde personen, alsook het medisch materiaal welke zich in de ziekenwagens bevinden. Hij moet altijd het medisch geheim respecteren. Art.47. Een lid van de brandweer kan ingeval van ernstige redenen bij de bevelhebber een verzoek indienen om vrijgesteld te worden van de ambulancedienst en/of van de bijscholing als hulpverlenerambulancier. In dit geval zal de betrokkene verzocht worden ingeval van wacht de telefoondienst te verzekeren. Art.48. Iedere uitruk geschiedt door tenminste twee ambulanciers. Tijdens vervoer van één of meerder patiënten bevindt één ambulancier zich in de sanitaire cel, bij de patiënt.
…/… Art.49. De ambulancier verantwoordelijke voor de ambulance (hoofdambulancier) wordt aangeduid door het gemeentebestuur. Hij staat in voor: - Het regelmatig nazicht van de inhoud en het materiaal uit de ambulance volgens een opgestelde lijst (4x per jaar). Dit nazicht gebeurt best in samenspraak met de brandweerploeg van dienst. - Het reinigen en onderhouden van de ambulance zowel binnen als buiten. - Het zo spoedig mogelijk bijvullen van het gebruikt materiaal. - Het bijhouden voor iedere ambulancier van een persoonlijke ambulanciersfiche-badge waarop alle lessen van bijscholing hulpverlenerambulancier vermeld staan. - Een kopie bij te houden van alle protocols en rittenverslagen van het ministerie van Volksgezondheid en de semi-automatische defibrillator. Art.50. De ambulanciers van dienst zorgen ervoor dat: - na iedere uitruk en indien nodig de ambulance gereinigd en terug in orde gezet wordt voor een nieuwe uitruk. - bij overname van de ambulance de wagen nagezien wordt op netheid, indien niet in orde de persoon erop wijzen en eventueel een getuige bijroepen (officier of onderofficier) - alle documenten in te vullen zoals het ritverslag voor het ministerie van volksgezondheid, het verslag semi-automatische defibrillator met outprint, de monitoring-outprint en deze naar de geijkte personen op te sturen. Art.51. Ambulancedienst buiten de zondagmiddag De wachtdienst voor de ambulance wordt geregeld op de volgende manier: a) Personeel: De wachtdienst wordt permanent verzekerd door minimum één van de twee vaste ambulanciers, die door het gemeentebestuur benoemd werden namelijk de verantwoordelijke ambulancier (hoofdambulancier) of de andere vaste ambulancier. Hij wordt bijgestaan door een tweede ambulancier. De telefoondienst (dispatching) wordt normaal permanent verzekerd door de conciërge van het gemeentehuis of door het gemeentepersoneel tijdens de werkuren. In het weekend wordt de telefoondienst verzekerd door de weekendwachtdienst. b)Uurregeling vaste ambulancier: - Op de gewone werkdagen van 08.00 uur tot 16.30 uur blijft de hoofdambulancier de ambulance bijhouden. - Buiten de gewone werkuren en in het weekend is er weekdienst voor één van de twee vaste ambulanciers. Iedere weekdienst begint vanaf maandagmorgen 08.00 uur tot de volgende maandagmorgen 08.00 uur. Op dit ogenblik wordt de ambulance ( in onberispelijke staat) en de draagbare posten aan de andere vaste ambulancier overhandigd. - Ieder jaar dient de vaste ambulancier die in week 52 dienst doet, ook week 1 van het nieuwe jaar voor zijn rekening te nemen. - De regeling van de weekdienst wordt geregeld door een dienstorder. - Het zomerverlof dient in onderling overleg met elkaar te gebeuren. Overlappingen zijn niet toegestaan. - Bij ziekte van één van de twee vaste ambulanciers dient de andere zijn dienst over te nemen c)Uurregeling van de tweede ambulancier: - Op de gewone werkdagen van 08.00 uur tot 16.30 uur is dit een andere gemeentewerkmanambulancier. Bij de keuze wordt er rekening gehouden én met de kortste interventietijd én met de werkverdeling die van toepassing is. - Buiten de gewone werkuren en in het weekend is er een weekdienst. - De regeling van de weekdienst wordt geregeld door een dienstorder. - De vaste ambulancier is verplicht in eerste plaats de ambulancier met weekdienst op te roepen tussen 16.30 en 08.00 uur, tenzij er anders vooraf is afgesproken. Indien de ambulancier met weekdienst niet te bereiken is neemt hij als reserve wie hij wenst of kan bereiken. Art.52. Weekendwachtdienst Er wordt een wachtrol vastgesteld voor ieder weekend, bestaande uit 3 personen die de dienst 100
…/… en de brandoproep verzekeren, zoals beschreven in artikel 13. Art.53. De kledij bij een uitruk is de signalisatievest van de ambulancier, veiligheidsschoenen, handschoenen (als er geen brand of corrosiegevaar is) en indien nodig een signalisatiebroek, of een blauwe broek en/of rode veiligheidshelm. Art.54. De tuchtregeling zoals vermeld in hoofdstuk 9 is hier ook volledig van toepassing: inzonderheid: - het is leden van de dienst verboden zich te bevinden onder invloed van alcoholische drank - de leden van de dienst zijn gebonden aan het beroepsgeheim. TITEL 6 - STATUUT VOOR DE VRIENDENKRING VAN BRANDWEERMANNEN EN GEWEZEN BRANDWEERMANNEN. Art.55. Benaming: In de schoot van het gemeentelijk brandweerkorps van Lichtervelde wordt een vriendenkring gesticht onder de brandweermannen en gewezen brandweermannen onder de benaming van: VRIENDENKRING VAN BRANDWEERMANNEN EN GEWEZEN BRANDWEERMANNEN Art.56. Doel: De vriendenkring heeft tot doel: a/ de vriendschapsbanden onder elkaar te onderhouden. b/ de belangen van de brandweermannen en oudgedienden te behartigen. c/ initiatieven organiseren die de fysische paraatheid van de brandweermannen verbeteren. Art.57. Leden: Kunnen lid worden van de Vriendenkring: a/ alle brandweermannen, zonder onderscheid van graad, die eervol ontslagen werden. - die na tenminste dertig jaar dienst te tellen eervol ontslagen werden - die na tenminste tien jaar dienst, van ambtswege ontslagen werden ingevolge een hen in de dienst of naar aanleiding ervan overkomen ongeval - die na de leeftijdsgrens bereikt te hebben eervol ontslagen werden b/ alle brandweermannen, zonder onderscheid van graad, die van ambtswege ontslagen werden: dit ontslag vindt plaats op initiatief van de indienstnemende overheid, wanneer de betrokkene de in artikel 10 (van het Organiek Reglement) gestelde voorwaarden niet langer vervult of wanneer de arbeidsgeneesheer ter gelegenheid van het jaarlijks onderzoek beslist tot een definitieve ongeschiktheid. c/ alle brandweermannen die na tenminste tien jaar dienst vrijwillig ontslag nemen en die nooit een tuchtstraf ondergaan hebben. d/ alle actieve brandweermannen. Art.58. Bestuur: Alhoewel de Vriendenkring onder het hoger toezicht staat van de korpsoverste wordt het bestuur samengesteld uit het kader. Al de leden hebben gelijk stemrecht. Bij gelijkheid van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. Art.59. Voordelen: De leden zullen uitgenodigd worden op alle algemene vergaderingen en bijeenkomsten, op alle feestelijkheden en uitstappen van het korps. De vriendenkring ontvangt de opbrengst van feestelijkheden enz... Art.60. Erkentelijkheidspremie: …/…
Aan erebrandweermannen wordt een erkentelijkheidpremie toegekend naar rato van € 2,23/dienstjaar, behalve de officieren aan € 3,00/dienstjaar. Deze bedragen zijn gekoppeld aan de schommelingen van de gezondheidsindex. De toepassing van een verhoging ingevolge een stijging van het indexcijfer geschiedt onder dezelfde voorwaarden als voor de bezoldiging van het gemeentepersoneel. Wanneer de erebrandweerman of officier komt te overlijden, wordt de premie, naar rato van het aantal maanden in leven, uitbetaald aan de overlevende echtgenote. Elke begonnen maand is volledig verschuldigd. De bepalingen inzake de erkentelijkheidpremie zoals hierboven beschreven is enkel van toepassing voor de vrijwilligers die vóór 1 januari 1996 de dienst hebben verlaten. Voor de anderen geldt: De in artikel 55(Organiek Reglement) bedoelde verzekering wordt aangevuld met een uitkeringsvergoeding, ten gunste van de leden vrijwilligers van de dienst. 1. Te rekenen van 1 januari 1996 zal aan ieder lidvrijwilliger een vergoeding van € 1487,36 uitgekeerd worden op het ogenblik dat hij eervol ontslag uit zijn ambt bekomt voor zover hij 30 dienstgerechtigde jaren kan laten gelden. Voor ieder jaar in min vermindert deze vergoeding met € 49,58. 2. Indien een lidvrijwilliger voor de reglementaire leeftijdsgrens de dienst verlaat ingevolge een afdanking heeft hij geen recht meer op vermelde vergoeding. 3. Indien een effectief lidvrijwilliger overlijdt, buiten de gevallen voorzien in artikel 55 van dit Organiek Reglement en minstens tien jaar dienst telt, wordt aan de rechtverkrijgenden een bedrag toegekend van € 49,58 per dienstjaar, tot een maximum van € 1487,36. 4. Wanneer een effectief lidvrijwilliger met tenminste 10 jaar dienst wegens gegronde vastgestelde ongeschiktheid, waardoor hij derhalve niet meer beantwoordt aan één van de in artikel 10 gestelde voorwaarden, ambtshalve moet ontslagen worden bij toepassing van artikel 23,4° dan bekomt hij ook een uitkeringsvergoeding. Het bedrag ervan wordt berekend als volgt: € 49,58 per dienstjaar, met een maximum van € 1487,36. 5. Deze uitkeringsvergoeding is gekoppeld aan de schommelingen van het cijfer van de gezondheidsindex basis 1 januari 1996 = 100. De toepassing van een verhoging ingevolge een stijging van het indexcijfer geschiedt onder dezelfde voorwaarden als voor de bezoldiging van het gemeentepersoneel. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op alle personeelsleden die de dienst verlaten na 1 januari 1996. Art.61. Zetel en vergaderingen: De zetel van de Vriendenkring is gevestigd in het lokaal BRANDWEERARSENAAL Beverenstraat 16, 8810 Lichtervelde alwaar in principe de vergaderingen plaats vinden. Het bestuur vergadert maandelijks. Tijdens de vergadering van de maand januari wordt het kasverslag overgedragen alsmede een overzicht geven van de werking over het verlopen jaar. Art.62. Bijdragen: De bijdragen blijven eigendom van de Vriendenkring. 1. De leden en hun eventuele rechtsopvolgers hebben geen deel in het vermogen van de vereniging, hebben geen recht op een aandeel in de behaalde winsten en kunnen geen opbrengsten halen uit de vereniging waardoor zij zich individueel verrijken. Bij uittreding, uitsluiting of overlijden kunnen zij nooit teruggave of vergoeding vorderen voor gestorte bedragen of gedane inbrengen. 2. Bij ontbinding van de vereniging, om welke reden ook, moet het vermogen van de vereniging worden bestemd tot een doel dat aansluit bij het doel van de vereniging en mag het niet worden uitgekeerd aan de leden. Art.63. Bijzondere gevallen:
Alle bijzonder gevallen welke in de statuten niet voorzien werden, worden door het bestuur geregeld. Art.64. Dit reglement wordt in drievoud, voor goedkeuring aan de provinciegouverneur voorgelegd.
…/…
Een behoorlijk gewaarmerkt afschrift ervan wordt bezorgd aan: - de Minister van Binnenlandse Zaken; - de burgemeester; - de bevoegde inspecteur van de brandweerdiensten; - ieder lid van de dienst. Art.65. De bepalingen van het thans van toepassing zijnde reglement van inwendige orde worden opgeheven de dag waarop de bepalingen van dit reglement van kracht worden.
Namens de Gemeenteraad : In opdracht : De Secretaris, (get.) I. VANDENBUSSCHE Voor eensluidend afschrift : De Secretaris, I. VANDENBUSSCHE De Burgemeester, R. BEEUSAERT-PATTYN De Voorzitter - Burgemeester, (get.) R. BEEUSAERT-PATTYN
This document is © 2009 by daan - all rights reserved.
BijlageGrootte
Huishoudelijkreglement 2010.doc81.5 KB